Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.8.2
VI.8.2 Bijzondere bescherming van de vrijspraak
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600905:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 27 september 2007, nr. 35522/04, par. 39 (Vassilios Stavropoulos/Griekenland); EHRM 13 juli 2010, nr. 25720/05, par. 37 (Tendam/Spanje); EHRM 23 oktober 2014, nr. 27785/10, par. 60 (Melo Tadeu/Portugal).
EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, par. 103, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans (Allen/Verenigd Koninkrijk).
Stolwijk 2007, p. 28. Zie daarover uitvoerig kritisch Groenhuijsen 2008.
Vgl. Duff 2013a, p. 177-178: “If we take the PoI seriously, an acquittal is as ‘informative’ as it needs to be: it tells us that the PoI has not been defeated. True, it is not ‘exculpatory’, but, given the PoI, no disculpation is needed.”
Stolwijk 2007, p. 24.
Zie uitgebreid § IV.2.4.1.
Zie naast de hiervoor geciteerde rechtspraak ook Stuckenberg 2014, p. 313.
Zie daarover uitvoerig Van Hattum 2012.
Zie daarover Bray 2005 die de invoering daarvan in de Verenigde Staten voorstelt.
De bijzondere, aanvullende bescherming van de vrijspraak is reden voor meer dogmatische kritiek over de coherentie van de behandelingsdimensie. Volgens de Straatsburgse rechtspraak is na een vrijspraak niet langer voldoende dat de gewezen verdachte niet als schuldige wordt behandeld. Hij dient dan als volstrekt onschuldige – dat wil zeggen: als onverdachte – te worden bejegend. Het uitspreken van een verdenking is dan eveneens ontoelaatbaar. Vaste – opmerkelijk genoeg alleen Franstalige – rechtspraak is:
“En vertu du principe ‘in dubio pro reo’, qui constitue une expression particulière du principe de la présomption d'innocence, aucune différence qualitative ne doit exister entre une relaxe faute de preuves et une relaxe résultant d'une constatation de l'innocence de la personne ne faisant aucun doute. En effet, les jugements d'acquittement ne se différencient pas en fonction des motifs qui sont à chaque fois retenus par le juge pénal. Bien au contraire, dans le cadre de l'article 6 § 2 de la Convention, le dispositif d'un jugement d'acquittement doit être respecté par toute autre autorité qui se prononce de manière directe ou incidente sur la responsabilité pénale de l'intéressé.”1
De Grote Kamer heeft daarover het volgende opgemerkt:
“The presumption of innocence means that where there has been a criminal charge and criminal proceedings have ended in an acquittal, the person who was the subject of the criminal proceedings is innocent in the eyes of the law and must be treated in a manner consistent with that innocence.”2
Tussen vrijspraken wegens gebleken onschuld en vrijspraken in dubio pro reo mag volgens het Hof dus geen onderscheid bestaan, hetgeen betekent dat een vrijspraak steeds moet worden beschouwd als een vrijspraak wegens gebleken onschuld, welke iedere andere instantie nadien heeft te respecteren. Vrijspraak staat derhalve gelijk aan juridisch vastgestelde onschuld. Deze opvatting is in de literatuur verdedigd door Stolwijk. Hij sluit zijn afscheidsrede af met de op het onschuldvermoeden gebaseerde stelling: “Een vrijspraak is een vrijspraak en het mag er niet meer toedoen op welke grond deze is gegeven.”3 De in hoofdstukken III en IV besproken theoretische inhoud van de onschuldpresumptie ondersteunt deze aanvullende bescherming van de vrijspraak echter niet en is daarmee mijns inziens eerder enigszins in tegenspraak.
Een vrijspraak betekent in elk geval in feitelijke zin niet meer (maar ook niet minder) dan dat schuld niet kan worden vastgesteld. Dat volgt juist uit de onschuldpresumptie, meer in het bijzonder uit de bewijsdimensie van het beginsel. De bewijsdimensie van de onschuldpresumptie houdt immers in dat in een strafzaak de bewijslast bij de overheid ligt en dat redelijke twijfel ten voordele van de verdachte strekt. Daaruit vloeit voort dat een vrijspraak niet alleen het noodzakelijk gevolg is van onschuld van de dader, maar ook van de onmogelijkheid zijn schuld op een wettige manier vast te stellen: in dubio pro reo.4Voicing of suspicions is dus met de vrijspraak niet in strijd en getuigt niet steeds van een gebrek aan respect voor die beslissing.
Dat neemt natuurlijk niet weg dat de rechtsstrijd eens moet eindigen: lites finiri oportet. Een vrijgesprokene verdient zonder meer dezelfde bejegening en status te ontvangen als iedere andere niet-veroordeelde. Stolwijk leidt uit de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie af dat de vrijgesprokene daarom terugkeert naar “de status van de onschuldige burger die hij vroeger was”.5 Die stelling berust echter op de in hoofdstuk IV reeds ontkrachte veronderstelling dat het onschuldvermoeden een bejegening als niet-verdachte burger voorschrijft.6 In theorie, en ook in de overige rechtspraak van het Hof, houdt de behandelingsdimensie uitsluitend een verbod op bejegening als schuldige in. Behandeling als verdachte is echter wel toelaatbaar. Het verbod op behandeling als schuldige en de bescherming daarvan komen uiteraard ook de vrijgesprokene toe. De vraag is niet of de vrijgesprokene de bescherming van de onschuldpresumptie behoeft, maar of hij additionele bescherming verdient.
Het belangrijkste argument ter verdediging daarvan is de preventie van verschillende klassen van vrijspraken, eervolle en eerloze.7 Dit is een argument met historische verdiensten. Hoewel het onschuldvermoeden en het adagium in dubio pro reo beduidend ouder zijn dan de afschaffing van de middenbeslissing, zijn zij als argument voor die afschaffing in het verleden wel te berde gebracht.8 Ik pleit niet voor de herinvoering van die beslissing, waarbij vrijspraak alleen volgt op gebleken onschuld, alhoewel bijvoorbeeld het hedendaagse strafrecht van Schotland naast guilty en not guilty ook het dictum not proven kent.9 Vrijspraken waarvan de motivering duidelijk maakt dat zij het gevolg zijn van twijfel over de schuld van de verdachte, aanvaardt het EHRM overigens juist. Als gezien mag het vrijsprekend vonnis zelf immers wel blijk geven van restverdenking. Het grootste bezwaar tegen die middenbeslissing is (en was) echter volgens mij niet dat een waarachtige weergave wordt gegeven van de uitkomst van de rechterlijke beraadslagingen en dientengevolge resterende twijfels over de schuld van de verdachte worden gearticuleerd. Veel problematischer waren de voorheen met die middenbeslissing verbonden rechtsgevolgen. De verdachte bleef veelal een nieuwe vervolging boven het hoofd hangen (in geval van absolutie van instantie) of hij werd – in mindere mate – toch voor het feit gestraft (in geval van poena extraordinaria). Dat is thans niet meer aan de orde. Tegen een nieuwe vervolging verzet zich het ne bis in idem-beginsel, terwijl het verbod op bejegening als schuldige tegen op verdenkingen gebaseerde straf beschermt. Veel van de beslissingen waarin de vrijgesprokene geen verdenkingen tegengeworpen mogen worden, staan zelfs tamelijk ver af van die problematiek, doordat het gaat om op initiatief of verzoek van de verdachte te nemen beslissingen die hij daarom zelf had kunnen vermijden.
Bovendien is niet duidelijk waarom een ‘oneervolle’ vrijspraak die gepaard gaat met reputatieschade categorisch problematischer is dan een ‘oneervolle’ discontinuation. Dat suggereert een mijns inziens niet-bestaand kwalitatief verschil tussen zaken die tot vrijspraak leiden en zaken waarbij een formeel beletsel de zaak doet eindigen. Een discontinuation kan op gebleken onschuld zijn gebaseerd of op gebrek aan bewijs, terwijl andersom een vrijspraak kan berusten op een formeel gebrek zoals een fout in de tenlastelegging of een vormverzuim in het vooronderzoek.
Al met al lijkt er geen goede reden om in zijn algemeenheid meerdere gradaties te hanteren van een bejegeningsrecht gebaseerd op de onschuldpresumptie waarbij sommige niet-veroordeelden slechts niet als schuldig mogen worden behandeld terwijl andere niet-veroordeelden voor onverdacht moeten worden gehouden. Dat laat onverlet dat de overheid een vrijgesprokene met het delict niet mag blijven achtervolgen of achteraf alsnog een al dan niet afgezwakte straf mag opleggen. Een overheidsfunctionaris moet niet denken het beter te weten dan de strafrechter. Hij dient zich van uitspraken die erop neerkomen dat de verdachte het tenlastegelegde wél heeft begaan, zoveel mogelijk te onthouden. Daartegen verzet zich dan ook in het algemeen reeds het door de behandelingsdimensie gestipuleerde verbod op findings of guilt.