Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/5.2.2.2
5.2.2.2 De omkeringsregel
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657552:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0045, NJ 1991/55, r.o. 3.3; HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1976, NJ 1996/607, m.nt. W.M. Kleijn (Dicky Trading II), r.o. 3.3; HR 19 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1299, NJ 2004/307, m.nt. W.D.H. Asser (Slapende patiënt), r.o. 3.3.
Zie ook Lindenbergh 2007, p. 20-21.
HR 19 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1299, NJ 2004/307, m.nt. W.D.H. Asser (Slapende patiënt), r.o. 3.3.
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:27, NJ 2020/45 (Reaal/ATF).
Reaal beroept zich daartoe op verschillende deskundigenrapporten, zie Hof ’s-Hertogenbosch 31 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1144, r.o. 2.2.1.
Hof ’s-Hertogenbosch 3 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2814, r.o. 9.3. Op zichzelf is dit al een vreemde benadering. Het ligt meer voor de hand eerst vast te stellen of sprake is van een normschending en daarna na te gaan wat de situatie was geweest als die normschending niet had plaatsgevonden, zie § 5.2.1.
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:27, NJ 2020/45 (Reaal/ATF), r.o. 3.2.3 voor de motiveringsklacht en r.o. 3.3 voor de rechtsklacht.
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:27, NJ 2020/45 (Reaal/ATF), r.o. 3.3.
Maar zelfs met die versoepeling kan het zo zijn dat de eiser onevenredig veel moeite heeft een csqn-verband aan te tonen. Dat is met name onaanvaardbaar als een bepaalde norm tegen een bepaald gevaar beoogt te beschermen, die norm wordt geschonden én die schade zich vervolgens voordoet. In die gevallen staat de Hoge Raad dan ook een vermoeden van causaal verband toe.1 Hoewel deze regel het best te zien is als een geval waarin de Hoge Raad de in artikel 150 Rv genoemde billijkheidsoverwegingen heeft gefixeerd, mag niet uit het oog worden verloren dat het de geschonden norm zelf is die toepassing van deze ‘omkeringsregel’ mogelijk maakt. Als een norm nu net beoogt te beschermen tegen bepaalde risico’s en die risico’s zich bij schending dan ook nog eens verwezenlijken, dan is het wel erg cru om het slachtoffer (dat vaak minder kennis van zaken heeft) met een nagenoeg onmogelijke bewijsopdracht te laten zitten.2
Dit is een voorbeeld van een geval waarin de norm via de billijkheid een vrij dwingende invloed heeft. Vanwege het uitzonderingskarakter was al duidelijk dat de regel niet in alle gevallen mag worden toegepast.3 In Reaal/ATF maakt de Hoge Raad echter duidelijk dat de regel bij het voldoen aan de vereisten ook moet worden toegepast.4 Het ging in die zaak om het volgende. De verzekerde heeft een soldeermachine bij ATF aangeschaft en stelt die net iets anders in dan voorgeschreven. Bij de derde keer gebruik is de machine in brand gevlogen en zijn het bedrijfspand en de bovenliggende woning afgebrand. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de brand het gevolg is geweest van de bedieningsfout van de gebruiker of – zoals Reaal stelt – het feit dat de verwarmingselementen en het ‘fluxbad’ – flux is de vloeistof die solderen eenvoudiger maakt – niet conform Europese richtlijnen van elkaar zijn gescheiden.5 Het hof acht het aannemelijk dat de schade het gevolg is geweest van de bedieningsfout en daarmee is de kous wat hem betreft af.6
De Hoge Raad is het daar niet helemaal mee eens. Hij honoreert onder andere de rechtsklacht dat het hof de omkeringsregel ten onrechte niet heeft toegepast.7 Daarbij wijst hij erop dat het hier ging om een productveiligheidsnorm die beoogde te beschermen tegen een specifiek gevaar (namelijk interne ontploffing), dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Vervolgens overweegt hij dat het hof
“[b]ij die stand van zaken (...), als er nog onzekerheid bestond over het condicio sine qua non-verband tussen de schending van de norm en de schade, de omkeringsregel [had] dienen toe te passen”.8 (cursivering WThN)
Ondanks het billijkheidskarakter van deze regel – en anders dan bij de versoepeling van de bewijslast voor slachtoffers ten aanzien van het hypothetische scenario in het algemeen – is dit billijkheidsoordeel dus gefixeerd en oefent de norm een vrij dwingende invloed uit op hoe billijkheidsoverwegingen moeten worden vormgegeven.