Recht, plicht, remedie
Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/5.4:5.4 Een normatieve causaliteitstoets
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/5.4
5.4 Een normatieve causaliteitstoets
Documentgegevens:
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657513:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De orthodoxe benadering van het causaal verband bij de schadevergoeding wegens onrechtmatige daad is een disjunctieve, waarbij de vaststelling van het recht op schadevergoeding (de vestigingsfase) wordt losgekoppeld van de invulling van dat recht (de omvangsfase).1 In die benadering is veel ruimte voor externe overwegingen van natuurwetenschappelijke (csqn) en beleidstechnische (toerekening) aard. De onderliggende norm zelf lijkt alleen een rol te spelen in de toepassing van het relativiteitsvereiste. Ten onrechte, want zo eenvoudig zijn die twee fases niet te scheiden.2 Sterker nog, het is ook niet verstandig die fases zo te scheiden, want iedere causaliteits-, relativiteits-, of toerekeningsvraag wordt uiteindelijk met hetzelfde doel gesteld: is er een goede reden om de gedaagde de schade van de eiser te laten vergoeden?
Beter zou het dan ook zijn om tot een integrale benadering van het causaal verband te komen, waarbij al deze toetsen steeds worden gericht naar wat de norm partijen beloofde. Daarvoor is niet vereist dat die leerstukken worden verlaten. Integendeel. Belangrijk is slechts dat de invloed van de norm explicieter wordt onderkend, zodat duidelijk wordt waarom een bepaalde toets wordt ingezet (§ 5.4.1). Anders dan gedacht zou kunnen worden staat die benadering niet op gespannen voet met de Nederlandse dogmatiek, maar sluit ze er juist nauw bij aan (§ 5.4.2), terwijl ze partijen wel meer zekerheid kan bieden over de vormgeving van de schadevergoeding (§ 5.5).
5.4.1 Een normcentrisch schadevergoedingsrecht5.4.2 Inpassing in het Nederlandse recht