Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.5.3.2
10.5.3.2 HvJ-jurisprudentie onder Verordening (EEG) nr. 803/68
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258718:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EEG 24 april 1980, C-65/79 (Procureur de la République tegen René Chatain), ECLI:EU:C:1980:108, r.o. 16. HvJ EEG 4 december 1980, C-54/80 (Samuel Wilner, directeur van SA Victory France), ECLI:EU:C:1980:282, r.o. 9.
HvJ EEG 4 december 1980, C-54/80 (Samuel Wilner, directeur van SA Victory France), ECLI:EU:C:1980:282, r.o. 9.
HvJ EEG 24 april 1980, C-65/79 (Procureur de la République tegen René Chatain), ECLI:EU:C:1980:108, r.o. 8.
S. Ibáñez Marsilla, Customs valuation and transfer pricing, ERA Forum 9(3), p. 409-410.
Onder Verordening (EEG) nr. 803/68 zijn door het Hof van Justitie twee arresten gewezen waaruit volgt dat fiscale en financiële instanties van EU-lidstaten niet gehouden zijn om de douanewaarde ook voor andere doeleinden dan de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief te erkennen.1 Zo zijn in de zaak Samuel Wilner, directeur van SA Victory France in Frankrijk tweedehands stoffen, kledingstukken en linnen ingevoerd tegen een totale waarde van 1.520.093,39 dollar. De Franse douaneautoriteiten stelden dat de importeur, SA Victory France, de waarde bij invoer van de betrokken goederen met een bedrag van 3.965.540 Franse Franken (ruim 600.000 EUR) had verhoogd, teneinde op onregelmatige wijze kapitaal naar de Verenigde Staten over te kunnen maken. Nadat het Hof van Justitie de voorgelegde prejudiciële vraag heeft geherformuleerd, luidt de vraag of de douaneautoriteiten van een EU-lidstaat de douanewaarde in het kader van Verordening (EEG) nr. 803/68 mogen verlagen voor andere doeleinden dan het eigenlijke douanetoezicht. Onder verwijzing van het Procureur de la République tegen René Chatain-arrest beantwoordt het Hof van Justitie voornoemde vraag ontkennend. Vervolgens overweegt het Hof van Justitie dat:2
“[…] het niet in overeenstemming is met verordening nr. 803/68, dat de nationale instanties de douanewaarde van uit een derde staat ingevoerde waar voor douanedoeleinden bepalen aan de hand van een aangifte die de expediteur bij de douane van het uitvoerende land heeft gedaan voor een lagere waarde dan de gefactureerde en de betaalde prijs van de waar”.
Het Hof van Justitie overweegt daarnaast dat de douanewaardebepalingen zijn geschreven ter voorkoming van onderwaardering van de goederen en niet ter voorkoming van overwaardering.3 Aangenomen kan worden dat deze arresten, ten aanzien van in ieder geval de laatste overweging, hun werking hebben verloren, omdat de CVA-bepalingen, anders dan de BWD, niet enkel de onder- maar ook de overwaardering van goederen beogen te voorkomen.4
Daaropvolgend zijn tot aan het roemruchte Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt München-arrest geen arresten meer gewezen door het Hof van Justitie over de wisselwerking tussen de vaststelling van de douanewaarde en de vaststelling van interne verrekenprijzen. Aangezien de Europese Commissie ook niet had voorzien in richtsnoeren, namen EU-lidstaten beleidsmatig elk hun eigen positie in en hebben nationale rechters verschillende uitspraken gedaan met verschillende uitkomsten. Onder andere de hoogste rechtsinstantie in Nederlands, Spanje, Zweden, Italië en Finland alsmede het Finanzgericht München hebben uitspraken gedaan, waarop hierna kort wordt ingegaan.