Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.3.1:III.5.3.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.3.1
III.5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460364:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent par. III.5.3.2.
Knijff, Jurgens & Backes 1998.
Dit onderzoek heeft geleid tot de zogenaamde ‘enge’ uitleg van het normadressaatschap, deze opvatting is nog steeds leidend. Knijff, Jurgens & Backes 1998, p. 116-120.
Over rechtsopvolging, zie Knijff 2003; met betrekking tot de reikwijdte van het inrichtingenbegrip, zie Van ’t Lam 2005a, hoofdstuk. 2 en 3.
Zie par. III.8.4.5 voor voorbeelden en verdere verwijzingen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zodra de milieuimpact van een bedrijf of particulier een bepaald minimumniveau bereikt, is het een inrichting.1 Inrichtingen moeten zich houden aan de milieuvoorschriften die voortvloeien uit de Wm en de Wabo. Dat is ook de reden waarom ik in deze paragraaf over normadressaatschap in ga op inrichtinggerelateerde milieunormen: in Nederland wordt het overgrote deel van de milieurelevante activiteiten van ondernemingen gereguleerd door voorschriften voor inrichtingen. Inrichtinggerelateerde voorschriften zijn voor dit proefschrift van bijzonder belang, omdat de aansprakelijkheid van leidinggevenden veelal zal plaatsvinden in de context van een onderneming die kan worden aangemerkt als inrichting.
In opdracht van het Ministerie van VROM is eind jaren negentig door Knijff en anderen grondig onderzoek verricht naar de normadressaat van milieuregels voor inrichtingen.2 Dit onderzoek verduidelijkt verschillende aspecten van het normadressaatschap, in het bijzonder de relatie tussen normen die gericht zijn tot de drijver van de inrichting en zorgplichten die tot eenieder gericht zijn.3 De onderzoekers concluderen tevens dat er nog veel onduidelijkheden bestaan met betrekking tot de adressering van inrichtinggerelateerde milieunormen, vooral bij rechtsovergang en situaties met meerdere drijvers. Een aantal van deze onduidelijkheden zijn in later verschenen proefschriften en publicaties onderzocht,4 maar het normadressaatschap van inrichtinggerelateerde normen blijft een lastige en casuïstische kwestie. Er resteren nog veel vragen met betrekking tot de verhouding tussen het drijverschap en het overtrederschap, de uitleg van het zeggenschapscriterium, en situaties waarin meerdere drijvers bestaan. Bovendien blijken er in de literatuur en de rechtspraak nog veel misverstanden te bestaan met betrekking tot drijverschap.5
Hierna bespreek ik tot wie inrichtinggerelateerde milieunormen gericht zijn. In paragraaf III.5.3.2 leg ik eerst uit wat een inrichting is. Daarna bespreek ik in paragraaf III.5.3.3-III.5.3.4 aan wie algemene regels en vergunningsvoorschriften zijn geadresseerd, en geef ik van beide soorten inrichtinggerelateerde voorschriften een aantal voorbeelden. Uit de bespreking van de inrichtinggerelateerde milieuvoorschriften volgt dat het gros van de normen gericht is tot ‘de drijver van de inrichting’. Het drijverbegrip komt uitgebreid aan bod in paragraaf III.5.4.