Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.4.3
14.4.3 Fictief aanmerkelijk belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457772:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Wel verdient het mijns inziens overweging om de uitstraling van het zgn. fictieve aanmerkelijk belang naar andere wettelijke regelingen waarin wordt verwezen naar de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB - gedacht kan onder meer worden aan de gebruike-lijke-inkomstenregelingen van art. 12a Wet LB en art. 24, vierde lid, Wet IB, de gemengde-kos-tenaftrekbeperking van art. 8, tweede lid, Wet Vpb. en de fictieve erfrechtelijke verkrijging in geval van pensioen- en lijfrentelichamen van art. 13a SW - nauwkeuriger te bezien. Blijkens het Besluit van 29 september 1997. nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 1401, e.v. (vraag H.7) zijn deze regelingen eveneens van toepassing op de fictief aanmerkelijkbelanghouder, terwijl er mijns inziens aan kan worden getwijfeld of de fiscale wetgever deze uitstralingseffecten van het zgn. fictieve aanmerkelijk belang naar andere wettelijke regelingen wel heeft onderkend. Vgl. tevens mijn: 49 vragen over het aanmerkelijk belang, Fiscaal Actueel, blz. 148-151, Kluwer, Deventer, 1998.
Vgl. het nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 22-23.
Vgl. HR 21 juni 1978, BNB 1978/207.
Overigens achten T. Blokland en J.E.A.M. van Dijck dit minder logisch, T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang. Fiscale monografie nr. 19, blz. 175-176, Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck. De aanmerkelijkbelangregeling. Fed fiscale brochures, blz. 225, Fed, Deventer, 1995.
Over de regeling van het zgn. fictieve aanmerkelijk belang van art. 20d Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB, krachtens een ingevolge art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde, art. 68a Wet IB en art. 68aa Wet IB kan ik kort zijn. Deze regeling is immers ongewijzigd gebleven ten opzichte van haar voorganger, zij het dat in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling in veel meer situaties een zgn. fictief aanmerkelijk belang kan ontstaan. Juist dan kan mijns inziens een dergelijke aan de liquiditeitsnoden van de belastingplichtige tegemoetkomende regeling niet worden gemist in een Wet IB die pretendeert te steunen op het realisatiebeginsel (zie hoofdstuk 2, onderdeel 2.2.1). Pas als het inkomen daadwerkelijk is gerealiseerd, is sprake van draagkrachtvermeerderend inkomen. Dit betekent dat ik een regeling in de invorderingssfeer, zoals die in art. 25, zesde lid, Inv.wet j° art. 26, tweede lid, Inv.wet is getroffen in geval van emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder, dan ook nadrukkelijk afwijs. Een dergelijke regeling hoort mijns inziens fundamenteel thuis in de Wet IB zelf.1
Strikt genomen behoren mijns inziens in een sluitend systeem latere waardedalingen van de bij beschikking vastgestelde (fictieve) aanmerkelijkbelangwinst niet in aanmerking te worden genomen. Deze waardedalingen hebben zich immers voorgedaan in de periode waarin geen sprake meer was van een aanmerkelijk belang. In de huidige zgn. fictieve aanmerkelijkbelangregeling wordt met latere waardedalingen echter wel rekening gehouden, hetgeen zich overigens laat verklaren vanuit het feit dat bij het verlaten van het aanmerke-lijkbelangregmime de aanmerkelijkbelangclaim hoe dan ook moet worden afgerekend (zie onderdeel 14.2.2 hiervoor). Alsdan kan zich dubbele belastingheffing voordoen, nl. als kort nadien een substantieel bedrag aan dividend wordt uitgekeerd, welk dividend tegen het normale tabeltarief wordt belast volgens de bron 'inkomsten uit vermogen', terwijl bij latere vervreemding van het resterende aandelenpakket (alsnog) volledig zou moeten worden afgerekend over de beclaimde vervreemdingsvoordelen. Iets soortgelijks doet zich voor als de vennootschap liquideert. Alsdan zou de (ex-)aanmerkelijkbelanghouder niet alleen worden geconfronteerd met heffing over hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal op grond van de bron 'inkomsten uit vermogen', maar ook met heffing over de beclaimde vervreemdingsvoordelen op basis van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'.2 Doordat de (fictieve) aanmerkelijkbelangwinst neerwaarts kan worden bijgesteld, worden de scherpe kantjes van de sfeerovergangsregeling bij het verlaten van het aanmerkelijkbelangregime afgeslepen.
Evenzo kan worden gebillijkt dat een zgn. fictief aanmerkelijk belang niet kan leiden tot een verlies uit aanmerkelijk belang. Als de aanmerkelijkbelangwinst aan de bovenkant is afgetopt, in die zin dat deze nooit hoger kan worden dan de latente aanmerkelijkbelangwinst die aanwezig was op het moment van verlaten van het aanmerkelijkbelangregime, past het mijns inziens om aan de onderkant een streep te trekken bij een aanmerkelijkbelangwinst van ƒ nihil.3 Alsdan zijn de goede en kwade kansen mijns inziens evenwichtig over de belastingplichtige en de fiscus verdeeld.4