Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/11.1.4
11.1.4 Ontstaan van de huidige regeling
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS305244:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Heyman 1974, p. 470.
Zie voor bestanddeelvorming bij roerende zaken HR 26 maart 1936, NJ 1936/ 757 (Sleepboot Egbertha) en bij onroerende zaken HR 11 december 1953, NJ 1954/115 (Stafmateriaal).
Zie voor enkele verschillen tussen het Ontwerp Meijers en de uiteindelijke tekst van artikel 3:4 BW de Memorie van Antwoord in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 74 e.v.
De term ‘bijzaak’ is uit het originele ontwerp voor art. 3:4 lid 2 geschrapt omdat deze voor verwarring kan zorgen; zie de Memorie van Antwoord in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 75. De toegevoegde waarde van dit begrip was beperkt; zie van der Grinten 1971, p. 236.
De op art. 653 OBW gebaseerde regeling over de hulpzaak was opgenomen in het gesneuvelde art. 3.1.1.4 Ontwerp BW. Deze regeling is niet overgenomen in het huidige BW vanwege praktische bezwaren die er aan kleefden; zie de Memorie van Antwoord in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 87. Een restant van deze regeling is nog te vinden in art. 3:254 BW; zie hierover Kortmann 1988, p. 713; van Hees 1991.
Kortmann 1988, p. 711.
442. De regeling in art. 3:4 BW is een voortzetting van de artikelen 643 OBW jo. 556 OBW. In deze artikelen werd bepaald dat alles dat door natrekking tot een zaak behoort, bestanddeel is en alles dat met een zaak verenigd is, wordt nagetrokken. Deze cirkelredenering bood niet veel houvast en werd wel opgevat als een beperking om ‘buiten de tekst van de wet om’ bestanddeelvorming aan te nemen.1 Daardoor bleef het aannemen van bestanddeelvorming grotendeels beperkt tot gevallen waarin sprake was van een ‘aard- en nagelvaste’ verbinding, oftewel een verbinding die niet zonder beschadiging kon worden losgemaakt (art. 562 en 563 OBW). In de loop van de twintigste eeuw heeft de Hoge Raad in een aantal arresten bepaald dat daarnaast ook sprake kan zijn van bestanddeelvorming indien de verkeersopvatting daar aanleiding toe geeft.2 Deze alternatieve grondslagen voor bestanddeelvorming zijn door Meijers overgenomen bij het vormgeven van art. 3:4 BW.3
443. Niet overgenomen in het huidige Burgerlijk Wetboek zijn de regelingen over bijzaken en hulpzaken, die naar oud recht bestonden. Bijzaken waren zaken die door aard- en nagelvaste verbinding aan een hoofdzaak waren verbonden (maar desalniettemin een eigen identiteit hadden behouden), zoals een vast gelaste buitenboordmotor.4 Hulpzaken waren roerende zaken die ten dienste van een onroerende zaak waren gesteld, zoals een machine die bij een fabrieksgebouw hoort.5 Wat vroeger bijzaken en hulpzaken waren, zijn nu ofwel bestanddelen, ofwel zelfstandige zaken.6