Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/18.2.2.2
18.2.2.2 Bewijsvermoedens bij onverplichte rechtshandelingen
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402388:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wessels 2004, p. 162-169.
Zie sub 4 en 5 van lid 1 van art. 43 Fw. In de MvT bij art. 43 Fw is overwogen: “Er zijn een aantal handelingen, waarvan, vooral wanneer zij in den vooravond van een faillissement verricht worden, terecht getuigd mag worden dat zij een verdacht karakter dragen, waartoe gewoonlijk wordt overgegaan in het volle bewustzijn dat de schuldeischers er door benadeeld worden en die het bewijs daarvan als het ware in zich zelve dragen. Eene omkeering van den bewijslast schijnt hier aangewezen.” (Van der Feltz 1896, p. 442-443).
De eerste categorie betreft de overeenkomsten waarbij de waarde van de verbintenis aan de zijde van de schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde overtreft (art. 43 lid 1 sub 1° Fw). De tweede categorie betreft de zekerheidstelling voor of betaling van een niet opeisbare schuld (art. 43 lid 1 sub 2° Fw). De derde categorie betreft ten slotte de rechtshandelingen met bepaalde aan de schuldenaar gerelateerde personen (art. 43 lid 1 sub 3°tot en met 6° Fw).
De Weijs heeft opgemerkt dat (enigszins opmerkelijk) een vennootschap die meer dan 50 procent van de aandelen in een andere rechtspersoon houdt, niet automatisch onder art. 43 lid 1 sub 5 Fw valt en evenmin onder 43 lid 1 sub 6 Fw, omdat daarmee niet zonder meer sprake is van een groep. Hij merkt op dat dit bij de parlementaire behandeling wel is opgemerkt, maar niet expliciet is toegevoegd. In de toelichting (Kortman & Faber 1995, p. 242) is eenvoudigweg opgemerkt dat dit geval wel onder 6 begrepen is: ”De situatie dat de ene rechtspersoon voor ten minste de helft deelneemt in het kapitaal van de andere rechtspersoon valt onder onderdeel 6.” Zie De Weijs 2011 (Groene Serie), aant. 8 bij art. 43 Fw.
Kortmann 1995, p. 443.
Wet van 16 mei 1986, Stb. 275.
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3, p. 12.
Voor een succesvol beroep op art. 42 Fw zal de curator dus moeten aantonen dat de schuldenaar en – bij een rechtshandeling om baat – ook de wederpartij wetenschap van benadeling hadden of behoorden te hebben. In de praktijk blijkt deze bewijslast zwaar te wegen.1 De artikelen 43 en 45 Fw komen de curator daarom tegemoet met een aantal bewijsvermoedens. Als binnen een jaar voor de faillietverklaring een rechtshandeling onverplicht om baat is verricht en de schuldeisers daardoor zijn benadeeld, wordt op grond van art. 43 Fw de wetenschap van zowel de schuldenaar als de wederpartij in bepaalde gevallen vermoed te hebben bestaan.2 Dit vermoeden geldt in drie categorieën van gevallen, waarvan de derde categorie – die ziet op rechtshandelingen die de schuldenaar verricht met gerelateerde partijen – voor het onderhavige onderzoek primair van belang is.3 Zo geldt bijvoorbeeld het bewijsvermoeden als de schuldenaar een rechtspersoon is en de rechtshandeling is verricht met een bestuurder, commissaris, groepsmaatschappij in de zin van art. 2:24b BW of een natuurlijk persoon die als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelneemt in de betreffende rechtspersoon.4
Daarnaast bepaalt art. 45 Fw dat bij een onverplichte rechtshandeling om niet die de schuldenaar binnen een jaar voor de faillietverklaring heeft verricht, vermoed wordt dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van schuldeisers daarvan het gevolg zou zijn, ongeacht met wie de rechtshandeling is verricht. Staat dus eenmaal vast dat een onverplichte rechtshandeling die binnen een jaar voor faillissement plaatsvond, moet worden aangemerkt als ‘om niet’, dan zal de wederpartij moeten bewijzen dat de schuldenaar géén wetenschap van benadeling had. De praktijk wijst uit dat de wederpartij zelden slaagt in de weerlegging van het vermoeden.5
Aanvankelijk golden de bewijsvermoedens van art. 43 en 45 Fw alleen bij rechtshandelingen die waren verricht binnen 40 dagen voor faillissement. Door de Derde Misbruikwet,6 die tevens de bewijsvermoedens in het tweede lid van art. 2:138/248 BW introduceerde, werd de termijn in art. 43 en 45 Fw verlengd tot een jaar voor faillissement, omdat de termijn van 40 dagen “in de praktijk herhaaldelijk te kort [was] gebleken en […] daarom aan een aanmerkelijk langere termijn de voorkeur werd gegeven.” Volgens de toelichting bij de wet mocht “worden verwacht dat hierdoor de positie van de curator aanzienlijk [werd] versterkt”.7