Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.5.2
3.3.5.2 Rechtstreekse werking van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495405:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Paragrafen 3.3.1.1 en 3.3.2.2.
HvJ HvJ 15 mei 2014, nr. C-337/13, V-N 2014/27.21 (Almos), r.o. 21 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie ook paragraaf 2.3.1.3.
De Engelse tekst van het Almos-arrest heeft het over ‘formalities’ respectievelijk ‘conditions’.
Het HvJ doet voorgaande dunnetjes over in HvJ 12 oktober 2017, nr. C-404/16, V-N 2017/51.14 (Lombard), r.o. 35-45 (paragraaf 3.3.1.3).
HvJ 12 oktober 2017, nr. C-404/16, V-N 2017/51.14 (Lombard), r.o. 35-45.
HvJ 16 januari 2014, nr. C-300/12, V-N 2014/9.15 (Ibero Tours).
Pt. 81. Dit is volgens de A-G in overeenstemming met gevestigde rechtspraak van het HvJ, in het bijzonder de zaak Becker (HvJ 19 januari 1982, nr. C-8/81, Jur. 1982, p. 53), waarin het HvJ met betrekking tot een in het geding zijnde vrijstelling had overwogen dat de zinsnede ‘onder de voorwaarden die [de lidstaten] vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren’ op ‘generlei betrekking hebben op de materiële omschrijving van de voorziene vrijstelling’.
Rechtstreekse werking van art. 90 Btw-richtlijn kwam ook aan de orde in de hiervoor besproken (en later gewezen) arresten Almos en GMAC.1 In die zaken werd het HvJ met een soortgelijke vraag geconfronteerd, namelijk of art. 90 lid 1 Btw-richtlijn voldoet aan de voorwaarden om rechtstreekse werking te hebben. Het HvJ memoreert in het Almos-arrest in dat verband allereerst dat het vaste rechtspraak is dat particulieren zich rechtstreeks op een richtlijnbepaling kunnen beroepen als deze inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is.2 Van onvoorwaardelijkheid is sprake als de bepaling een verplichting oplegt die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de (instellingen van de) EU of lidstaten.3 De vraag rijst of art. 90 lid 1 Btw-richtlijn in deze context onvoorwaardelijk is, aangezien deze bepaling de lidstaten een bepaalde vrijheid toekent door de maatstaf van heffing te verlagen ‘onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld’. Op grond hiervan zou kunnen worden betoogd dat van onvoorwaardelijkheid geen sprake is. Het HvJ ziet dit echter anders en overweegt in het Almos-arrest:
“34. Dit artikel laat de lidstaten (...) weliswaar een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling van de noodzakelijke maatregelen ter bepaling van het bedrag van de verlaging, maar dit neemt niet weg dat de verplichting om de maatstaf van heffing in de in dit artikel bedoelde gevallen te verlagen nauwkeurig en onvoorwaardelijk is. Deze bepaling voldoet dus aan de voorwaarden om rechtstreekse werking te hebben (…).”
Hoewel de voorwaarden waaronder lidstaten de maatstaf van heffing mogen verlagen onder de discretionaire bevoegdheid van iedere lidstaat vallen, is de verlaging van de maatstaf zelf dus onvoorwaardelijk. Dit betekent in zoverre dat belastingplichtigen zich bij afwezigheid van een corresponderende nationale bepaling tegenover een nationale rechter op art. 90 lid 1 Btw-richtlijn zouden kunnen beroepen. Uit het Kraft Foods Polska-arrest volgt dat deze rechtstreekse werking ook geldt als een lidstaat art. 90 lid 1 Btw-richtlijn weliswaar heeft geïmplementeerd, maar de voorwaarden niet voldoen aan doeleinden van de Btw-richtlijn en de rechtsbeginselen van het Unierecht. In het Almos-arrest bevestigt het HvJ deze lijn en voegt wat betreft de door de lidstaten te stellen voorwaarden hieraan toe:
“39. Het is bijgevolg van belang dat de formaliteiten waaraan de belastingplichtigen moeten voldoen om ten aanzien van de belastingdiensten het recht op verlaging van de maatstaf van heffing van de btw te kunnen uitoefenen, beperkt zijn tot die welke de mogelijkheid bieden aan te tonen dat de tegenprestatie of een deel ervan na de sluiting van de overeenkomst definitief niet zal worden ontvangen.”
Dit is nieuw. Hoewel in deze rechtsoverweging gesproken wordt over ‘formaliteiten’, in plaats van ‘voorwaarden’,4 meen ik uit de context van de overweging te mogen afleiden dat de voorwaarden, die lidstaten in het kader van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn mogen stellen om het bedrag van de verlaging van de maatstaf van heffing te bepalen, beperkt zijn tot voorwaarden die betrekking hebben op het aantonen door de ondernemer van het recht op verlaging van de maatstaf van heffing.5 Daar waar het HvJ in het Kraft Foods Polska-arrest nog enkele aanwijzingen gaf waaraan in dat kader moet worden gedacht, volstaat het HvJ in het Almos-arrest met de overweging dat het aan de nationale rechter staat om na te gaan of de door een lidstaat opgelegde formaliteiten aan deze voorwaarde voldoen. Het HvJ doet voorgaande dunnetjes over in het Lombard-arrest.6
De hiervoor beschreven interpretatie van de frase ‘voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld’ is overigens in overeenstemming met het betoog van A-G Wathelet in de zaak Ibero Tours.7 In zijn conclusie stelde hij al dat de voorwaarden geen betrekking mogen hebben op de materiële inhoud van de maatstaf van heffing, maar uitsluitend mogen zien op de vormvoorschriften waaraan moet worden voldaan om na de transactie een verlaging van de maatstaf van heffing te bewerkstelligen. De voorwaarden kunnen daarom (en mijns inziens terecht) slechts betrekking hebben op de modaliteiten van de verlaging en niet op het bestaan van het recht op verlaging.8