Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/6.6.4
6.6.4 De dubbelfunctie rechter en politicus of rechter en bestuurder
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS497310:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Onverenigbaarheden, gepubliceerd in: Trema 1980, p. 180.
Rapport Onverenigbaarheden, Trema 1980, p. 181. Zie ook De Werd 1994, p. 181-182.
De Werd 1994, p. 184; de Volkskrant, โRaadlidmaatschap rechter zet collegaโs voor het blokโ, 16 juni 1982.
De Werd 1994, p. 190; J. van Tijn & M. van Weezel, โKorthals Altesโ, Vrij Nederland, 24 december 1983.
Eindrapport, deel II, 1985, p. 16 (V.3.1.1. onder d).
M.J.P. Verburgh, De onafhankelijkheid van de (belasting)rechter ten opzichte van de overheid, in: Eenvoud en doeltreffendheid 1988, p. 237. Idem Trema-special 1979-2, p. 18.
T.A. van Kampen & J.P. Loof, โRechters en plaatsvervangers: hun aantal, hun opleiding en hun nevenfunctiesโ, in: J.P. Loof (red.), Onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De randvoorwaarden voor het bestuur en beheer van de rechterlijke macht, Leiden 1999, p. 165-166.
Van Kampen & Loof 1999, p. 166, met verwijzing naar K. Rijlaarsdam, โHoe hoger, hoe voorzichtiger. De toelaatbaarheid van bijbanen binnen de rechterlijke machtโ, Mr., september 1998, p. 15-16.
C. Banning & J. Oranje, โMag een rechter in de Eerste Kamer? Dubbelfunctie rechter en senator is toegestaan, maar ligt zwaar onder vuurโ, NRC Handelsblad 31 maart 2007. BovendโEert herhaalt dit standpunt in zijn handboek Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008, p. 31-32.
D.J. Elzinga, โEen rechter moet ook kunnen fungeren als kamerlidโ, Binnenlands Bestuur 5 juni 1987.
Internationaal bestaat hierover verdeeldheid. Zie U.N. Commentary on the Bangalore principles of judicial conduct 2007, p. 16: The main divergence [between common law judges and civil law judges], however, was in respect of political activity. In one European country, judges were elected on the basis of their party membership. In some other European countries, judges had the right to engage in politics and be elected as members of local councils (even while remaining as judges) or of parliament (their judicial status being in this case suspended). Civil law judges, therefore, argued that at present there was no general international consensus on whether judges should be free to participate in politics or not. They suggested that each country should strike its own balance between judgesโ freedom of opinion and expression on matters of social significance, and the requirement of neutrality. They conceded, however, that even though membership of a political party or participation in public debate on the major social problems might not be prohibited, judges must at least refrain from any political activity liable to compromise their independence or jeopardize the appearance of impartiality.
C. Banning & J. Oranje, โEen rechter moet de schijn vermijdenโ, NRC Handelsblad 31 maart 2007.
Antwoorden van 9 juli 2007 op de vragen van het Eerste Kamerlid Van de Beeten van 22 mei 2007, (Aanhangsel Handelingen I 2006/07, nr. 9, p. 19-20) en van 27 november 2007 op de nadere vragen van de commissie Justitie van 2 oktober 2007 (Kamerstukken I 2007/08, 31 200 VI A, p. 1-4).
Zie hfdst. 4 (ยง 4.6.5).
Kamerstukken II 2004/05, 29 937, nrs. 4 en 5. Handelingen II 2005/06, nr. 74, p. 4623-4643 (20 april 2006). De behandeling van dit wetsvoorstel is nog niet afgerond.
Kamerstukken II 2005/06, 29 937, nr. 5, p. 5. De regering heeft er later op gewezen dat een algehele herziening van de Wrra, zoals aanvankelijk voorzien, achterwege is gebleven (Kamerstukken II 2007/08, 29 937, nr. 16, p. 4). In plaats daarvan is op 1 juli 2010 een wijziging van de Wrra in werking getreden, strekkend tot flexibilisering en verduidelijking van de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren, waarin de regelgeving omtrent nevenbetrekkingen niet ten principale is herzien (Kamerstukken 31 227; Stb. 2009, 8). Het is de vraag of de regeling van de verenigbaarheid van het rechterlijk ambt met een politieke nevenbetrekking nog afzonderlijk wordt heroverwogen.
Vgl. een aantal uitspraken van het EHRM in Turkse zaken over militaire rechters, o.a. Yakis, EHRM 25 september 2001, appl. no. 33368/96.
Vgl. de zaak Procola, EHRM 28 september 1995, NJ 1995, 667.
BovendโEert 2008, p. 32.
BovendโEert 2008, p. 28.
BovendโEert 2008, p. 32.
Vgl. de nieuwe staatsregeling van Sint Maarten i.v.m. de ontmanteling van de Nederlandse Antillen per 10 oktober 2010, die in algemene zin verbiedt dat ministers en leden van de Staten tegelijk lid van de rechterlijke macht zijn (resp. artikel 34, tweede lid, onder i en artikel 51, eerste lid, onder i).
De discussie over de (on)wenselijkheid van de dubbelfunctie (1) rechter en politicus (in een vertegenwoordigende functie), alsmede (2) rechter en bestuurder of ambtenaar bij de overheid speelt al een aantal decennia. De discussie heeft zich vooral toegespitst op de eerste categorie. Zij is gevoerd door staatscommissies, de (grond)wetgever, wetenschappers, politici en rechters zelf. Er heerst grote verdeeldheid over dit onderwerp. Maar de voorstanders van een verbod op een dergelijke combinatie van functies lijken meer en meer de overhand te krijgen.
De Commissie-Van Julsingha, ingesteld door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, heeft in 1980 een rapport uitgebracht over nevenfuncties.1 De leden van de commissie waren verdeeld over de vraag of functies in of lidmaatschappen van vertegenwoordigende lichamen met wetgevende bevoegdheid (wetgevende macht) en functies in het openbare bestuur (uitvoerende macht) te allen tijde onverenigbaar moeten worden geacht met het rechtersambt:
โDe rechter die zijn taak in onafhankelijkheid moet uitoefenen, behoort voor zo ver zijn taak bestaat in toetsing, uitleg en toepassing van een wettelijke regel, niet te hebben deelgenomen aan de vaststelling van deze regel, terwijl de rechter die moet oordelen over de rechtmatigheid van bestuursdaden, zowel formeel als inhoudelijk vrij moet staan ten opzichte van dit bestuursorgaan. Het beginsel van de gelijkheid van partijen laat immers niet toe dat de rechter in procedures waarbij de overheid in enige vorm betrokken is als belanghebbende, in een bijzondere relatie tot dit bestuur staat.โ2
Een concreet voorbeeld dat De Werd uitgebreid in zijn dissertatie bespreekt, is de Amsterdamse rechter A.J. Cnoop Koopmans, die begin jaren 80 van de vorige eeuw in opspraak kwam wegens zijn nevenfuncties als Eerste Kamerlid en vooral als gemeenteraadslid van Amsterdam. De toenmalige Deken van de Orde van Nederlandse Advocaten, P. van den Hoek, vond de combinatie van het rechterschap met een raadslidmaatschap ongebruikelijk: โDe positie van de rechterlijke macht in Nederland wordt sterk gerespecteerd en geniet een grote mate van acceptatie. (...) Bij zoโn dubbelfunctie bestaat de kans dat je de schijn tegen je krijgt en er twijfels kunnen rijzen over de onafhankelijkheid van de rechter en over het rechtspreken zonder aanzien des persoons.โ3 Ook de toenmalige minister van Justitie, Korthals Altes, heeft naar aanleiding van omstreden uitspraken van Cnoop Koopmans in de media, de retorische vraag gesteld of de combinatie van rechterschap en gemeenteraadslid wel zo gelukkig is en of er bij de toekomstige (promotie-)benoemingen misschien geen rekening mee moet worden gehouden.4 Daarentegen had de president van de rechtbank Amsterdam geen bezwaar tegen de dubbelfuncties van Cnoop Koopmans.
In 1985 was de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie verdeeld over de vraag of leden van de rechterlijke macht โpolitieke functiesโ mogen bekleden. Een deel van de leden wilde volstaan met een algemene wettelijke bepaling die het een rechter onmogelijk maakt om bij de beslissing in een zaak te worden betrokken als hij een (neven)functie vervult die mogelijkerwijs afbreuk zou doen aan zijn onpartijdigheid in die zaak. Zij kozen dus voor een beoordeling van onpartijdigheid in concrete gevallen. Een ander deel van de leden was van oordeel dat diegenen die tot de zittende magistratuur behoren geen lid mogen zijn van een vertegenwoordigend lichaam met wetgevende bevoegdheid en evenmin een functie bij de uitvoerende macht mogen vervullen. Vereniging van functies als hier bedoeld brengt naar het oordeel van deze leden schade toe aan de constitutionele onafhankelijkheid van de rechter in zoverre als hij zal worden gezien als niet vrij staand ten opzichte van wetgeving of bestuur. De rechter zal minstens de schijn van gebondenheid (aan eerder ingenomen standpunten) niet kunnen vermijden.5 Uit het rapport kan niet worden opgemaakt wat het standpunt van de meerderheid is.
Ook vanuit de wetenschap is aangemoedigd tot een nadere afweging van de toelaatbaarheid van bepaalde nevenbetrekkingen. Artikel 8, tweede lid, RO (oud) stond de bekleding van enkele openbare functies expliciet toe, waaronder die van gemeenteraadslid, mits deze niet als eigenlijk bezoldigde ambten konden worden beschouwd. Volgens Verburgh gaf deze bepaling in 1988 niet langer de heersende mening ten aanzien van nevenfuncties weer. Er bestond toen volgens hem al een grote reserve met betrekking tot het bekleden van vertegenwoordigende politieke ambten en het uitoefenen van bezoldigde nevenfuncties.6 Anderen poneerden vragen als: Wat te denken van rechters die lid zijn van de Eerste Kamer der Staten-Generaal?7 Kunnen medewetgevers rechter zijn? De president van de rechtbank Leeuwarden, Vrieze, zei in 1998:
โWat mij betreft verbiedt de wetgever het volksvertegenwoordigerschap voor leden van de rechterlijke macht. Je kunt op dergelijke functies zonder veel moeite het Procolaarrest toepassen dat de strekking heeft dat iedere schijn van belangenverstrengeling tussen wetgever en rechterlijke macht wordt vermeden.โ8
In 2007 liet het NRC Handelsblad naast politici en rechters ook enkele staatsrechtgeleerden aan het woord over de dubbelfunctie rechter-Kamerlid. Witteveen (tevens Eerste Kamerlid), BovendโEert, Barkhuysen en Huls betuigden zich tegenstander van die dubbelfunctie op grond van de machtenscheiding en een schijn van belangenverstrengeling. Alleen Elzinga zag geen bezwaren tegen de dubbelfunctie.9 Daarmee bevestigde hij zijn 20 jaar eerder ingenomen standpunt dat een onverenigbaarheid van het rechterlijk ambt met de functie volksvertegenwoordiger niet goed is, omdat de mening dat politieke partijdigheid van rechters hun geestelijke onafhankelijkheid zou aantasten ouderwets is, de onverenigbaarheid niet verhindert dat rechters er politieke opvattingen op na houden, en rechters deskundige volksvertegenwoordigers zijn.10
Sinds het WODC-onderzoek Schijn van Partijdigheid uit 2002 is duidelijk dat de verenigbaarheid van het rechtersambt met een politieke functie ook nadrukkelijk in de aandacht van de beroepsgroep zelf staat.11 Binnen de rechterlijke is in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Presidentenvergadering een Leidraad nevenfuncties opgesteld, waarin onder meer een aanbeveling staat dat het ongewenst is dat rechterlijke ambtenaren lid zijn van de Eerste of de Tweede Kamer. De leidraad heeft buiten de rechterlijke macht geen bindende kracht. Die rechterlijke organen zijn immers niet bevoegd om regelgeving vast te stellen. Naar aanleiding van een eerder concept van die leidraad is er in de media uitgebreid aandacht besteed aan dubbelfunctie rechter-Kamerlid. In het NRC Handelsblad zei president Davids van de Hoge Raad: โIk zou er geen bezwaar tegen hebben als de grondwettelijke regeling zoals die er nu is voor leden van de Hoge Raad zou worden uitgebreid naar allen die met rechtspraak zijn belast. Maar het kan eventueel ook bij wet.โ12 Oogmerk van de leidraad is om de (voorzitters van de) gerechtsbesturen een richtsnoer te geven voor de door hen te verrichten beoordeling of een in een bepaald geval het vervullen van een nevenbetrekking door een rechterlijk ambtenaar ongewenst is.13 De leidraad loopt vooruit op aanvaarding van het al genoemde wetsvoorstel tot wijziging van de Wrra (Kamerstukken 29 937), waarin de bevoegdheid tot het beoordelen van de (on)gewenstheid van nevenbetrekkingen van rechters met het oog op een goede vervulling van het ambt of op de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin uitdrukkelijk aan de voorzitter van het gerechtsbestuur wordt toebedeeld.
Niet in de laatste plaats is interessant dat de dubbelfunctie rechter-Kamerlid meerdere malen onderwerp was van parlementair debat. Allereerst is een mogelijke grondwettelijke incompatibiliteit ter sprake gekomen tijdens de grondwetswijziging van 1983. Daarna kwam het onderwerp aan de orde tijdens de behandeling van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement (WISE).14 Meest recent is deze discussie gevoerd tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wrra in de Tweede Kamer.15 De leden van de PvdA-fractie hebben de regering gevraagd of zij de combinatie van rechterlijk ambtenaar en politicus in een vertegenwoordigende of bestuurlijke functie inmiddels niet zodanig onwenselijk acht dat een wettelijke regeling gewenst is.16
Daarmee lijken zij te impliceren dat de fractie zelf een dergelijke dubbelfunctie ongewenst acht. Er is geen nadere regeling van onverenigbaarheden getroffen voor de met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren werkzaam bij de gerechten en hoven. De regering antwoordt dat ten aanzien van deze rechterlijke ambtenaren de nieuwe open norm van artikel 44, tweede lid, Wrra gebruikt kan worden om te beoordelen of een politieke nevenactiviteit een al dan niet toelaatbare nevenbetrekking oplevert. Daarnaast kondigt zij aan dat in het kader van de algehele herziening van de Wrra momenteel wordt onderzocht of er aanleiding bestaat om de regeling op het punt van de verenigbaarheid van het ambt met politieke functies te heroverwegen.17 Hiermee laat de regering deze gelegenheid onbenut om zelf een concreet standpunt in te nemen over de toelaatbaarheid van nevenfuncties van rechters in het openbaar bestuur of vertegenwoordigende lichamen binnen overheidsverband in algemene zin.
Conclusie
Bij de uitoefening van de dubbelfuncties door een rechter kan niet alleen de onpartijdigheid, maar ook de onafhankelijkheid in het geding komen als een rechter tegelijkertijd een functie vervult in een ander overheidsorgaan. Wat hierboven is opgemerkt over officieren van justitie die rechter-plaatsvervanger zijn, geldt ook voor ambtenaren bij de rijksoverheid die tevens rechter-plaatsvervanger zijn. Ook zij zijn ondergeschikt aan een minister en gehouden instructies op te volgen in hun ambtelijke functie. Ook al is een ambtenaar formeel onafhankelijk in de uitoefening van zijn rechterlijke functie, toch kan een schijn van afhankelijkheid ontstaan omdat hij als rechter onder druk gezet zou kunnen worden door (rechtspositionele) beslissingen die in zijn ambtelijke functie jegens hem kunnen worden genomen, bijvoorbeeld als gevolg van een de overheid onwelgevallig rechterlijk oordeel.18 Kortom, elke rechter die zich in een andere (neven)functie in een ondergeschikte positie bevindt ten opzichte van de uitvoerende macht draagt automatisch een schijn van afhankelijkheid.
Kamerleden vormen wat dat betreft een aparte categorie overheidsfunctionarissen. Zij maken deel uit van een van een andere staatsmacht, te weten de wetgevende macht, maar oefenen die functie formeel in onafhankelijkheid uit (zij stemmen zonder last of ruggespraak). Partijdiscipline kan er voor zorgen dat individuele Kamerleden conform het standpunt van de fractie stemmen, maar zij zijn daartoe staatsrechtelijk niet verplicht. Ook zijn Kamerleden niet ondergeschikt aan (organen van) de uitvoerende macht. In dat opzicht hoeft er geen twijfel te rijzen over de rechterlijke onafhankelijkheid wanneer een Kamerlid tegelijkertijd als rechter functioneert. De betreffende ambtsdrager is immers in beide functies onafhankelijk. Wat overblijft, is een opmerkelijke dubbelfunctie die wel kan leiden tot (een schijn van) partijdigheid van de rechter. Als een rechter een regel moet toetsen, uitleggen en toepassen, terwijl hij eerder bij de vaststelling van die regel betrokken is geweest, dan kan deze ten minste de schijn tegen zich hebben dat hij daarbij niet onpartijdig is.19 Vooral in verband met het vertrouwen dat de rechtsprekende macht moet genieten in de samenleving is dit van belang. Het vermijden van cumulatie van functies in de rechterlijke en uitvoerende of wetgevende macht kan bijdragen aan het handhaven van dat maatschappelijke vertrouwen in de rechtspraak.20 BovendโEert plaatst een dergelijke dubbelfunctie daarnaast ook in het perspectief van de institutionele onafhankelijkheid, welke in nauw verband staat met het beginsel van machtenscheiding. Daaronder verstaat hij dat de rechterlijke organisatie als staatsinstelling een onafhankelijke positie inneemt tegenover beide andere staatsmachten.21 Vanuit het perspectief van de institutionele onafhankelijkheid is er zijns inziens veel voor te zeggen om de vervulling van het rechterlijk ambt onverenigbaar te verklaren met de vervulling van openbare, politieke of bestuursambten.22
Ik sluit mij aan bij andere critici van de dubbelfuncties van actief rechter en actief politicus of bestuurder in een vertegenwoordigende of bestuurlijke functie op het niveau van de rijksoverheid. Ik acht het onwenselijk dat ministers en Kamerleden tegelijkertijd rechter kunnen zijn. De grondwettelijke incompatibiliteiten op dit punt moeten mijns inziens worden uitgebreid.23 Vanwege de schijn van vermenging van belangen van respectievelijk wetgever en rechterlijke macht en uitvoerende en rechterlijke macht is de machtenscheiding in het geding. Natuurlijk is machtenscheiding niet absoluut en kennen wij ook checks en balances. De functie daarvan is het beperken of controleren van te veel macht. Maar dat laatste is bij de uitoefening van de hierboven omschreven dubbelfuncties naar mijn mening niet aan de orde. De reden dat dergelijke dubbelfuncties nog niet verboden zijn, is veeleer het zo min mogelijk beperken van het passieve kiesrecht, alsmede het willen benutten van de deskundigheid van personen op een bepaald terrein bij zowel wetgeving als rechtspraak (vgl. ook het standpunt van Elzinga).
Dat zijn geen argumenten van checks en balances. Het laatste argument is bovendien praktisch van aard. Praktische argumenten kunnen een rol spelen in het functioneren van een overheid, maar dat is mijns inziens niet op zijn plaats waar fundamentele staatsrechtelijke uitgangspunten als de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter in het geding zijn. Bovendien staat het vertrouwen van burgers in de rechtspraak op het spel. Mijns inziens moeten de (ogenschijnlijke) onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter en het vertrouwen daarin zwaarder wegen dan het zo min mogelijk beperken van het passief kiesrecht. De beperking geldt voor een afgebakende beroepsgroep (rechters), die verband houdt met de functievervulling. Een Kamerlid en een rechter verkeren in twee verschillende denksferen, waardoor de schijn van partijdigheid zeer groot is. Zodra het gaat om opeenvolgende functies in de verschillende staatsmachten, valt het verschil in denksferen weg en ligt het meer voor de hand om de partijdigheid in een concreet geval te beoordelen. Indien een Kamerlid bijvoorbeeld een nadrukkelijk standpunt heeft ingenomen over een bepaalde wet (bijv. dat deze strijdig is met hogere regelgeving) dan ligt het voor de hand dat hij zich als rechter in een zaak over die regelgeving verschoont.
Wetende dat deze discussie al zo lang speelt en er binnen de rechterlijke macht zelf nog maar weinig voorstanders lijken te zijn van dergelijke dubbelfuncties, is het merkwaardig dat de wetgever zo aarzelt om op dit punt een absolute onverenigbaarheid te regelen. Waarom niet een wettelijk verbod invoeren waarin deze combinatie van functies absoluut wordt verboden (wegens schijn van partijdigheid en strijd met de institutionele onafhankelijkheid) en daarnaast een open toetsingsnorm van onafhankelijkheid en onpartijdigheid invoeren (zoals voorzien in het wetsvoorstel 29 937) voor andere concrete gevallen die zich kunnen voordoen? Op die manier is de rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid van een rechter in absolute zin gewaarborgd, terwijl de onpartijdigheid van de rechter ook altijd in het concrete geval moet kunnen worden beoordeeld als gevolg waarvan een rechter van de zaak gehaald kan worden. Voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechter die tevens vertegenwoordiger in een decentraal overheidslichaam is, volstaat wat mij betreft de algemene verschoningsnorm als toets.