Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/6.6.2
6.6.2 De huidige wettelijke regeling van onverenigbaarheden
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS500985:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Dit zijn de enige vier beroepen die absoluut onverenigbaar zijn met het rechterlijke ambt.
Artikel 8 lid 1 RO (oud): ‘De leden van de rechterlijke macht die voor hun leven zijn benoemd, met uitzondering van de raadsheren- en rechter-plaatsvervangers, kunnen niet tevens zijn advocaat, procureur of notaris, of enig ander ambt als hoofdbetrekking bekleden.’
Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nr. 3, p. 6 en 7.
Kamerstukken II 2004/05, 29 937, nr. 3, p. 11.
Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nr. 3, p. 6; Kamerstukken II 2004/05, 29 937, nr. 3, p. 1.
Eindrapport van de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie, deel II, 1985, p. 15.
De op 1 juli 2010 in werking getreden wet tot wijziging van de Wrra en andere wetten i.v.m. de flexibilisering en verduidelijking van de regeling van de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren (Stb. 2009, 8), wijzigt artikel 45 Wrra in die zin dat een rechter voor het bijwonen van vergaderingen of verrichten van werkzaamheden voor een publiekrechtelijk college waarin hij is verkozen buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging wordt verleend, tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet. Deze rechtspositionele wijziging brengt de regeling voor rechterlijke ambtenaren meer in lijn met de regeling voor burgerlijke rijksambtenaren (art. 125c Ambtenarenwet). De minister zag geen werkelijke reden om rechterlijke ambtenaren meer belemmeringen ten aanzien van de uitoefening van het passief kiesrecht en de vakbondsvrijheid te laten ondervinden dan andere ambtenaren (Kamerstukken II 2007/08, 31 227, nr. 3, p. 26).
Kamerstukken II 1991/92, 22 769, nr. 3, p. 7; Kamerstukken II 1994/95, 24 220, nr. 3, p. 6. Wettelijk bestaat er geen enkele ‘werkplicht’ voor een Tweede Kamerlid. De aanname is waarschijnlijk gebaseerd op de tijdsbesteding in de praktijk.
Op 1 februari 2007 waren zes leden van de Eerste Kamer tevens werkzaam als rechter volgens hun curriculum vitae op de website van de Eerste Kamer. Vijf daarvan bekleedden een functie als rechter- of raadsheer-plaatsvervanger, één van hen was tegelijkertijd coördinerend vice-president van het Gerechtshof te Leeuwarden (H.S. Pruiksma, lid van de Eerste Kamer van 10 mei 2005 tot 12 juni 2007). Zie verder P. de Bruin, ‘De (on)verenigbaarheid van het rechterschap en een politieke functie. (Oud-)rechters-senatoren aan het woord’, Trema 2008, p. 142-147. Een ouder voorbeeld is A.J. Cnoop Koopmans, in de jaren ‘80 rechter bij de Rechtbank Amsterdam, lid van de Eerste Kamer en tevens Gemeenteraadslid van Amsterdam.
C. Banning & J. Oranje, ‘Rechters horen niet in de senaat’ en ‘Mag een rechter in de Eerste Kamer?; Dubbelfunctie rechter en senator is toegestaan, maar ligt zwaar onder vuur’, NRC Handelsblad 31 maart 2007; P. Wierenga, ‘Kinderrechter mag niet in senaat’, De Pers 27 april 2007; Hoofdartikel ‘Rechterlijk belang’, NRC Handelsblad 2 april 2007; C. Banning & E. Kalse, ‘In de Eerste Kamer moeten alle petten af’, NRC Handelsblad 12 juni 2007.
Artikel 44, eerste lid, Wrra bepaalt dat rechterlijke ambtenaren en raio’s gedurende de binnenstage niet tevens advocaat, procureur of notaris kunnen zijn dan wel anderszins van het verlenen van rechtskundige bijstand een beroep maken.1 Het verbod geldt niet voor rechter-plaatsvervangers. Via schakelbepalingen in de Beroepswet en de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie geldt deze regeling ook voor rechters van de CRvB en het CBB. Deze bepaling vervangt het zogenoemde hoofdbetrekkingenverbod van artikel 8 RO (oud).2 Daarnaast geldt voor alle nevenbetrekkingen een meldings- en registratieplicht (art. 44 leden 2 en 3 Wrra). De mogelijkheid tot het vervullen van nevenfuncties door rechters diende volgens de wetgever zo min mogelijk te worden beperkt. Onduidelijk blijft waarom dat als uitgangspunt heeft te gelden. Voorop staat volgens de regering dat de eigenlijke functievervulling in kwantitatieve zin niet in gevaar komt.3 Er moet immers voldoende tijd overblijven om het rechterlijke ambt te vervullen.
Indien een nevenbetrekking een zo groot tijdsbeslag op een rechter legt, dat de vervulling van zijn ambt in gevaar komt, kan vervulling van de nevenbetrekking onwenselijk zijn.4 De wetgever heeft het tijdscriterium dus herhaaldelijk voorop gesteld. Die uitleg is een erfenis van het oude hoofdbetrekkingenverbod. Niettemin is het uitgangspunt dat de regeling van artikel 44 Wrra dient ter verzekering van de zuiverheid van verhoudingen in het algemeen, en van het vertrouwen in de rechterlijke macht, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid en het vertrouwen daarin in het bijzonder.5 Ook de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie ging er van uit dat het oude hoofdbetrekkingenverbod gefundeerd was op de overweging dat de genoemde functionarissen in vele gevallen belangen van een bepaalde partij of cliënt te behartigen hebben en daarom met een zekere eenzijdigheid, zo niet partijdigheid, te werk zullen gaan, wat ongewenste gevolgen zou kunnen hebben wanneer dezelfde functionarissen als rechter zouden optreden.6 In die visie staat de onpartijdigheid van de rechter terecht voorop. Daarnaast speelt het vertrouwen van burgers in de (onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de) rechterlijke macht een belangrijke grond voor de huidige regeling. Dat laatste hangt samen met het vereiste van objectieve onpartijdigheid, zoals dat voortvloeit uit de jurisprudentie van het EHRM.
De wet verbiedt niet als zodanig dat een rechter tegelijkertijd een functie vervult in een ander overheidsorgaan. Artikel 45 Wrra verplicht functionele autoriteiten bij gerechten zelfs om rechterlijke ambtenaren gelegenheid te geven tot het bijwonen van vergaderingen en verrichten van werkzaamheden die voortvloeien uit een benoeming of verkiezing in een publiekrechtelijk college, tenzij het belang van een goede taakvervulling zich daartegen verzet.7 Hierbij kan gedacht worden aan een lidmaatschap van een vertegenwoordigend orgaan op decentraal niveau zoals een gemeenteraad of Provinciale Staten, maar ook aan de Eerste Kamer. Ten aanzien van het lidmaatschap van de Tweede Kamer wordt doorgaans aangenomen dat het de facto om een voltijds functie gaat, die daarom niet gecombineerd kan worden met een functie als rechter.8 Dat argument is echter van heel andere aard dan dat deze twee functies uit principieel oogpunt – namelijk als uitvloeisel van de machtenscheiding (of de institutionele onafhankelijkheid van de drie overheidsmachten) en de onpartijdigheid van de rechter – niet tegelijkertijd kunnen worden uitgeoefend. Leden van de Eerste Kamer kunnen dus tegelijkertijd actief rechter en actief Kamerlid zijn:
Bijzondere vermelding verdient ten slotte het lidmaatschap van de Eerste of Tweede Kamer of van het Europees Parlement. Een dergelijk lidmaatschap levert voor alle categorieën rechterlijke ambtenaren en raio’s ofwel een absolute onverenigbaarheid ofwel een non-activiteit op. Voor niet tot de Hoge Raad behorende rechtsprekende rechterlijke ambtenaren geldt dit echter slechts voor zover het lidmaatschap in strijd komt met het hoofdbetrekkingverbod; zij kunnen hun functie dus in ieder geval wel combineren met het zijn van lid van de Eerste Kamer.9
Die laatste functiecombinatie komt in de praktijk ook voor.10 Bij de laatste Eerste Kamerverkiezingen is hiervoor de nodige aandacht in de media geweest, die de discussie over deze dubbelfunctie weer heeft aangezwengeld.11 Hierop kom ik terug in § 6.6.4.