Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.2.4
2.2.4 Het ‘burgerperspectief’ in het juridisch discours
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661562:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
De tabel is gebaseerd op het totaal van een eenvoudige zoekopdracht op twee fiscale digitale databanken naar de term ‘burgerperspectief’. Ten eerste een zoekopdracht op NDFR met de zoekterm ‘burgerperspectief’, zoekfilter ‘Naslag’ (laatstelijk 7 januari 2022), in totaal 33 resultaten (2021: 11, 2020: 11, 2019: 6, 2018: 2, 2017: 2, 2016: 1). Ten tweede een zoekopdracht op Kluwer Navigator met de zoekterm ‘burgerperspectief’, zoekfilter ‘vakliteratuur’ en vakgebied ‘belastingrecht’ (laatstelijk 7 januari 2022), in totaal 57 resultaten (2021: 14, 2020: 16, 2019: 6, 2018: 10, 2017: 3, 2016: 2, 2015: 0, 2014: 2, 2013: 2, 2012: 0, 2011: 0, 2010: 1, 2009: 1). In de tabel is geen rekening gehouden met eventuele dubbele resultaten (zoals een stuk dat in beide databanken is opgenomen).
De toenemende aandacht vanuit de overheid kan worden geïllustreerd met een eenvoudige zoekopdracht op www.zoek.officielebekendmakingen.nl, bij parlementaire documenten, zoekterm ‘burgerperspectief’ en filter op het onderwerp ‘Financiën|belasting’ (laatstelijk 7 januari 2022), met in 42 totaal resultaten (in 2021/2020: 20, 2019/2020: 7, 2018/2019: 10, 2017/2018: 3, 2014/2015: 1, 2005/2006: 1).
Zie hoofdstuk 3.
Zie o.a. Gribnau 2018; Rapport van de Adviescommissie praktische rechtsbescherming in belastingzaken, april 2021 (met daarin aangehaalde literatuur); Scheltema 2021.
Zie de reactie van de voorzitter van de Afdeling in januari 2021 (Van Ettekoven 2021) op het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag 2020; Reflectierapport van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2021; Werkgroep reflectie toeslagenaffaire rechtbanken 2021.
Bijv. in de conclusie van A-G Niessen van 15 mei 2020 bij HR 26 juni 2020, nr. 19/03705, BNB 2020/133, punt 3.61; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 juli 2021, nr. BRE 20/7284, FutD 2021-2632, r.o, 2.10; Rechtbank Gelderland 23 maart 2021, nrs. ARN 19/502, 19/503, 19/504, 19/505 en 19/656, V-N 2021/34.1; Hof Den Haag 13 januari 2022, nr. BK-21/00360, V-N Vandaag 2021/2135. Zie ook Poelmann 2021b. Zie voor de bestuursrechtelijke verschuiving naar ‘het burgerperspectief’ de veel geannoteerde uitspraak ABRvS 29 mei 2019, nr. 201802496/1/A1, AB 2019/302 met conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019.
Over de in dit onderzoek gehanteerde invulling van het burgerperspectief zie paragraaf 1.2.2, 1.6, 5.2.
Bijv. Poelmann en Baron 2020a, p. 9; Poelmann en Baron 2020c; Gribnau 2018; Scheltema 2021.
Schlössels 2020.
Nationale ombudsman Jaarverslag 2015 par. 1.2, 1.3; Nationale ombudsman, rapport ‘Geen powerplay maar fair play’ (2017), p. 5 en Nationale ombudsman, rapport ‘Een burger is geen dataset’ (2021), p. 6.
Gribnau 2018, p. 27, 23, 25-26.
Jaarverslag Nationale ombudsman 2015, par. 1.4. Volgens Damen 2020, par. 2 zijn er ‘ongetwijfeld meerdere burgerperspectieven’.
Scheltema 2019a, par. 2; Scheltema 2018, p. 122-123.
Scheltema 2018, p. 120.
Scheltema 2019a, par. 4, 10. Vgl. Gribnau 2013, par. 2.4.4.
Gribnau 2018.
Schlössels 2020.
Damen 2018, p. 90.
Scheltema 2019a, par. 2 en 3, 8, 9 (‘overheidsperspectief’); Scheltema 2021.
Jaarverslag Nationale ombudman 2015, par. 1.3.
Bijv. Gribnau 2018; Gribnau 2019.
WRR-rapport ‘Weten is nog geen doen: Een realistisch perspectief op redzaamheid’, 2017. Volgens Scheltema 2019b viel het rapport ‘in vruchtbare aarde’ en volgens Scheltema 2019a, par. 3 werd een WRR-rapport ‘nooit eerder’ zo veelvuldig geraadpleegd, wat hij ziet als een aanwijzing ‘dat de tijd rijp is voor meer aandacht voor het burgerperspectief’; Scheltema 2018, p. 121; Scheltema 2016.
Zie Damen 2018; de aangehaalde literatuur in Damen 2019, par. 11.6 en de aan Damen aangeboden bundel opstellen in Vucsan (ed.) 1996.
Damen 2018.
Gribnau 2019.
Gribnau 2018, p. 29.
Gribnau 2018, p. 22-29.
Werkgroep reflectie toeslagenaffaire rechtbanken 2021, par. 6.3.2; Gribnau 2020, p. onderdeel ‘Public tax governance’; Gomes Vale Viga 2021; Nijenhuis 2018, p. 146.
Scheltema 2019b.
Poelmann en Baron 2020a, p. 9.
Zie diverse bijdragen van Poelmann en Baron aan het TFB in 2020 en 2021.
Meijerman 2021a, par. 2 e.v.
Zie in dit kader Baron & Poelmann 2021b met een overzicht van door de Tweede Kamer aangenomen moties rondom wetgeving, uitvoering en rechtsbescherming door de rechter.
Bijv. Van Horzen 2021.
Zie ook Adviescommissie praktische rechtsbescherming in belastingzaken 2021, p. 18.
Schlössels 2020.
Van den Berge 2020. Zie ook Scheltema 2020a.
Scheltema 2019a, par. 3; Scheltema 2018, p. 124-125, 127. Zie Meijerman 2021a, par. 7 die de menselijke maat-discussie beschouwt als onderdeel van een voortdurende en noodzakelijke reflectie op rechtsstatelijke verhoudingen en belangenafwegingen binnen het recht.
Scheltema 2020a.
Poelmann en Baron 2020a, p. 14; Poelmann en Baron 2020b, p. 41; Baron & Poelmann 2021a; Meijerman 2021a, par. 7.
Zie daarover Scheltema 2021, p. 819-820; Baron & Poelmann 2021b. Bovendien heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen van Jetten en Marijnissen van 19 januari 2021, Kamerstukken II 2020/2021 35510, nr. 15, waarin staat ‘dat de abbb leidend moeten zijn indien strikte toepassing van de wet anders tot materiële onaanvaardbare uitkomsten zou leiden, ook bij wetsbepalingen van dwingend recht.’ Zie ook Nagelhout en Van Wordragen 2021.
Uit het bovenstaande blijkt dat het perspectief van de burger in het huidige rechtsstatelijke denken zeer actueel is. Uiteraard is de relevantie van het perspectief van de burger voor het recht op zich niet nieuw; het belang van (oog voor) de burger ligt besloten in het rechtsstatelijke beginsel van de dienende overheid. In zoverre is het burgerperspectief onderdeel van het juridisch perspectief en staat deze daar dus niet geheel buiten. Wat wel nieuw is, is de expliciete aandacht voor het ‘burgerperspectief’ in het juridisch discours. Die aandacht neemt sterk toe, zo illustreert onderstaande grafiek.
Figuur 1: Zoekresultaten van de term 'burgerperspectief' in de fiscale literatuur1
De toenemende aandacht is bovendien te zien vanuit de overheid, zo tonen de parlementaire documenten.2 Ook bij de Belastingdienst,3 de (fiscale) rechtswetenschap4 en de rechterlijke macht5 is het ‘burgerperspectief’ in het vizier, evenals in de (fiscale) rechtspraak.6 Diverse ontwikkelingen, met name de Toeslagenaffaire, hebben deze aandacht flink aangewakkerd (paragraaf 1.2.2).
Wat wordt in het juridisch discours onder het ‘burgerperspectief’7 verstaan? In de literatuur ontbreekt het nog aan een (algemene en eenduidige) definitie of uitgekristalliseerd beeld van het burgerperspectief. Vaak wordt het perspectief van de burger genoemd in combinatie met termen als ‘responsiviteit’, ‘realistisch burgerbeeld’, ‘menselijke maat’, ‘maatwerk’, ‘empathie’ en ‘doenvermogen’.8 Dat maakt het begrip, zoals Schlössels terecht typeerde, ongrijpbaar en ruim: ‘er wordt van alles onder geschoven’.9 De belangrijkste elementen die uit de literatuur vallen af te leiden, schets ik hieronder.
Het burgerperspectief wordt wel opgevat als een vertrekpunt bij kijken, handelen of toepassen. Volgens de Ombudsman moet de overheid steeds op deze wijze kijken, want de overheid dient het burgerperspectief centraal te stellen in al zijn handelen.10 Gribnau vat het burgerperspectief op als invalshoek, bijvoorbeeld bij de wijze waarop de belastingrechter de rechtsbescherming invult ‘vanuit een bepaald begrip van en voor de burger’.11 Overigens wordt onderkend dat er niet zoiets is als één burgerperspectief.12 Zo schreef Scheltema dat ‘de’ burger en ‘het’ burgerperspectief niet makkelijk te vatten zijn: burgers zijn onderling zeer verschillend, maar ook voor één burger kan zijn perspectief verschillen al naar gelang de situatie en de omstandigheden.13
De invalshoek van het burgerperspectief brengt in het juridisch discours inhoudelijk bezien mee dat het recht rekening moet houden met de belangen van de burger. Zo toont Scheltema’s paradigma van de responsieve rechtsstaat (paragraaf 2.2.3.2) dat de inzichten en belangen van de burger ‘richtinggevend’ moeten zijn, en ‘niet die van de overheid, van een heerser of van de machtigen in de samenleving’.14 Bij het vormgeven van het recht dienen het perspectief van de burger en zijn mogelijkheden, wensen, belangen, behoeften en de consequenties die het recht voor hem heeft op de voorgrond staan,15 wat volgens Gribnau ook voor het belastingrecht geldt.16 Schlössels vat de opdracht kernachtig samen: ‘De belevingswereld van gewone mensen moet voor de overheid het vertrekpunt zijn, niet het juridische systeem.’17 Beter oog hebben voor de leefwereld van gewone burgers is nodig, omdat een (te) grote afstand kan leiden tot rechtsvervreemding.18 Bij het burgerperspectief moet dus worden losgekomen van, zoals Scheltema onder andere noemt, het ‘interne perspectief van het openbaar bestuur’, het ‘perspectief van de overheid’, de wetgever of ‘het perspectief van juristen’.19 Of wat de Nationale Ombudsman noemt: ‘systeemdenken’.20
Kijken vanuit het burgerperspectief vraagt volgens de literatuur om het hanteren van een ‘realistisch burgerbeeld’.21 Dan mag niet worden uitgegaan van een ideaaltypische burger waar geen mens op lijkt, maar oog moet zijn voor wat mensen werkelijk weten en doen.22 Damen – die het beeld dat de overheid van burgers heeft al decennia thematiseert23 – heeft in zijn preadvies glashelder laten zien dat de wetgever, het bestuur en de rechter hun beeld van de burger als ‘triple A: alert, argwanend, assertief’ moeten bijstellen.24 Een onrealistisch burgerbeeld brengt burgers in het bestuursrecht regelmatig in de problemen. Gribnau meent dat een realistisch burgerbeeld het uitgangspunt van fiscale rechtshandhaving moet zijn.25Burgers beschikken vaak over weinig fiscaal-juridische deskundigheid, waardoor geen ‘fiscale modelburger die steeds rationeel handelt’ kan worden verondersteld.26 De Belastingdienst, belastingwetgever en belastingrechter horen meer oog te hebben voor hoe (fiscale) burgers ‘van vlees en bloed’ in werkelijkheid zijn en handelen.27
Op welke wijze moet het burgerperspectief bij rechtsvorming en rechtstoepassing praktisch tot uitdrukking komen? Mede naar aanleiding van de Toeslagaffaire wordt de uitwerking van het burgerperspectief gezocht in ‘maatwerk’ en ‘de menselijke maat’.28 Onder maatwerk verstaat Scheltema dat er rekening moet worden gehouden met de persoon en de omstandigheden van de burger.29 Volgens Poelmann en Baron betekent dat niet zozeer ‘dat aan zielige gevallen moet worden tegemoetgekomen’,30 maar kan de menselijke maat worden gedefinieerd als een rechtsbedeling die recht doet aan de wet en algemene rechtsbeginselen, zoals de beginselen van behoorlijk bestuur.31 Meijerman laat zien dat de menselijke maat-discussie geen ‘gevoelskwestie’ is, maar gaat over wie binnen de rechtsstaat de bevoegdheid en taak hebben om rechtvaardigheidskeuzen en dus belangenafwegingen te maken (zowel op beleidsniveau als op individueel niveau).32 Daarover zijn de opvattingen aan het verschuiven in de richting van de uitvoering en de rechter, náást de wetgever (paragraaf 4.7, 7.6.2.l).33
Overigens roept maatwerk juridische vragen op. Meer menselijke maat is niet onomstreden.34 In de literatuur zien sommigen bezwaren tegen de inpassing ervan in het klassieke juridische denken.35 Schlössels constateert dat rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en onpartijdigheid naar hun aard niet pleiten voor maatwerk.36 Van den Berge is voorstander van maatwerk, maar hij ziet ook een onoplosbare spanning met rechtsbeginselen als rechtsgelijkheid en rechtszekerheid.37 Ook Scheltema laat zien dat maatwerk-benadering niet goed past in het klassieke juridische denken.38 Volgens hem is evenwel denkbaar dat rechtsbeginselen een ander gestalte krijgen: niet door deze overboord te zetten, maar door daarin een eigentijdse(re) nadruk te leggen, zoals ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.39
In de fiscale literatuur wordt het uitdrukking geven aan maatwerk en menselijke maat mogelijk geacht binnen de bestaande kaders (bijvoorbeeld de beginselen van behoorlijk bestuur), zij het dat daarvoor goede kennis van de inhoud en toepassingsmogelijkheden van het kader nodig is.40 Een interessante ontwikkeling is dat de regering voornemens is beginselen van behoorlijk bestuur nader te codificeren en zich dan tevens zal moeten buigen over de verhouding tussen de gecodificeerde beginselen en andere wetsartikelen (paragraaf 7.6).41
Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het burgerperspectief zeer actueel en relevant is in het (belasting)recht, maar nog geen eenduidige invulling kent. Dat betekent dat de in dit onderzoek gehanteerde invulling van het burgerperspectief aan de hand van de taal- en communicatiewetenschap (paragraaf 1.3, 1.6, 1.7.1, hoofdstuk 5) een verrijking brengt voor het juridisch discours; het geeft een concretisering van het burgerperspectief.
De betekenis van de toegenomen aandacht voor het burgerperspectief roept evident de vraag op of de huidige koers in de voorlichtingsjurisprudentie voldoende rekening houdt met de toegenomen aandacht voor de belangen van de burger (paragraaf 4.3, 4.7).