Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.3
2.3 Waarom geeft de Belastingdienst voorlichting?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661511:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. o.a. Schelhaas 1979, p. 168; Roozendaal 2008, par. 2.
Zie o.a. Happé 1996, p. 164; Den Boer e.a. 1999, p. 7-8; Van Hout 2018a, par. 5.4; Adriaansen-Keulers 1996, p. 116; Schonis 2009, p. 303; conclusie Staatsraad A-G Wattel 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, p. 12: ‘de voorlichtende en informerende taak van de heffende overheid’. In internationale literatuur zie bijv. Blank & Osofsky 2017, p. 192, 197 e.v.
Een specifiek wettelijk voorschrift waarin een plicht tot voorlichting voor bestuursorganen is neergelegd, betreft art. 3:45 Awb, waaruit volgt dat de Belastingdienst bij de bekendmaking van een besluit waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld (zoals een belastingaanslag) dient te vermelden dat, door wie, binnen welke termijn en waar dat kan (‘rechtsmiddelenvoorlichting’).
Wopereis 1996, p. 147: ‘Waarom moeten burgers door de overheid worden voorgelicht?’
In de fiscale literatuur bestaat – vergeleken met de aandacht voor de rol van de Belastingdienst als rechtshandhaver – relatief weinig aandacht voor de voorlichtende taak van de Belastingdienst (paragraaf 1.4.2).
Zie vanuit bestuurskunde, politicologie, staats- en bestuursrecht, overheidscommunicatie en voorlichtingskunde Wopereis 1996, Daalder 2005, hoofdstuk 2 en aangehaalde literatuur; Klinkers 1974; Wagenaar 1997; Schelhaas 1979; Katus 1984, Rooij en Aarts 2014. Over rechtsstatelijke aspecten van overheidsvoorlichting zie Oldenziel 1998, Scheltema 1997, Dijkstra 1991 en recenter Van de Sande 2019; Van de Sande 2018, par. 16.2. In de communicatiewetenschap zie bijv. Van Woerkum 2000; Siepel e.a. 2012; Vogelaar 1955; Katus en Volmer 1985 en recenter Klaassen 2004; Sprenger 2016.
Ik beperk mij tot nationaalrechtelijke grondslagen (paragraaf 1.7), waardoor (mogelijk relevante) internationale juridische normen buiten beschouwing blijven, zoals het Europese recht, internationale mensenrechtenverdragen of internationale standaarden (zoals vanuit de OESO of EU); zie bijv. Van den Heuvel 2018, par. 6.2.2; Van de Sande 2019, par. 2.4 en 2.5.
Een andere aanpak is om de juridische basis van de voorlichtingsplicht te structureren aan de hand een inventarisatie van geschreven en ongeschreven normen, een meer chronologische rangschikking (Wopereis 1996) of een rangschikking naar rechtsstatelijke dimensies (Van de Sande 2019). Voor dit onderzoek heeft een thematische rangschikking als voordeel dat het relatief concreet is, omdat het de inhoudelijke argumenten voor het bestaan van de voorlichtende taak voorop stelt en op die wijze zowel de praktische, principiële als uitvoeringstechnische basis van de voorlichtende taak worden belicht.
Vgl. de toelichting bij de nieuwe Wob op ‘het stelsel van geschreven en ongeschreven regels dat de organisatie en de praktijk van de overheidsvoorlichting beheerst’ in MvA, Kamerstukken II 1987/1988, 19859, nr. 6, p. 27-31.
In het algemeen wordt als vanzelfsprekend beschouwd dat de overheid voorlichting dient te verstrekken aan burgers.1 In de literatuur zal men tevergeefs zoeken naar iemand die het tegenovergestelde betoogt. Ook in de fiscale literatuur wordt het bestaan en het belang van ‘de voorlichtende taak’ van de Belastingdienst – naast zijn andere taken zoals heffing en handhaving – als evident beschouwd.2 Tegelijkertijd is het niet zo dat de belastingwet een wetsartikel bevat waarin de voorlichtende taak is gecodificeerd.3 Daaraan doet niet af dat de voorlichtende taak wel degelijk een juridische basis heeft. Voorlichting vindt immers plaats in een specifieke juridische institutionele context (paragraaf 2.2).
Het voorgaande roept evenwel de vraag op: Waarom moet de Belastingdienst voorlichting aan burgers verstrekken?4 Het antwoord daarop is voor het belastingrecht niet eerder systematisch onderzocht.5 De verklaring voor deze leemte kan zijn dat de voorlichtende taak – gegeven het vaak gecompliceerde belastingrecht en het feit dát Belastingdienst in zijn uitvoeringspraktijk ruime voorlichting geeft – zó evident is, dat het hoe, waarom en zijn juridische basis eenvoudigweg geen prangende vragen meer zijn. De juridische basis komt niet in Frage; het is als het ware een reeds genomen horde. Toch is een analyse van de grondslag van de voorlichtende taak essentieel, omdat het blootlegt welke functie voorlichting heeft in de rechtsstaat. Het bepaalt wat rechtsstatelijk gezien van de voorlichtende taak mag worden verwacht. Inzichten kunnen worden ontleend aan juridische literatuur waarin de grondslagen van overheidsvoorlichting worden behandeld.6 Aangezien voorlichting van de Belastingdienst een vorm van overheidsvoorlichting betreft, zijn dergelijke inzichten ook voor het belastingrecht relevant.
In deze paragraaf wordt de rechtsstatelijke inbedding van de voorlichtende taak van de Belastingdienst in het juridisch perspectief in kaart gebracht.7 Ik ga daarbij thematisch te werk.8 Mijns inziens zijn er drie samenhangende argumenten waarom de Belastingdienst voorlichting geeft. Ten eerste een principieel argument (voorlichting geven moet en hoort), ten tweede een praktisch argument (voorlichting is praktisch nuttig en nodig) en ten derde een beleidsmatigargument (voorlichting is efficiënt). De redenen voor de voorlichtende taak berusten op diverse geschreven en ongeschreven regels,9 die steeds voortvloeien uit rechtsstatelijke beginselen (zie paragraaf 2.2.3). Daarom zijn de argumenten aan elkaar gerelateerd (paragraaf 2.3.4).
Aangezien de praktische kant van de voorlichtende taak in de heffingspraktijk het meest zichtbaar is, begin ik daarmee. Aan de voorlichtende taak ligt echter een principieel argument ten grondslag, dat theoretisch gezien het belangrijkste is. De beleidsmatige reden is een uitvloeisel van de voorgaande twee redenen en geeft invulling in de eigen benadering van de Belastingdienst op het bestaan van zijn voorlichtende taak.
2.3.1 Argument 1: Praktisch2.3.2 Argument 2: Principieel2.3.3 Argument 3: Beleidsmatig2.3.4 Samengevat: juridische inbedding van de voorlichtende taak