Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.4.1:8.5.4.4.1 Richtlijn(historie)
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.4.1
8.5.4.4.1 Richtlijn(historie)
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291200:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn van de Raad van 10 april 1995, nr. 95/7 EG, PbEG 1995, L 102/18. Het is overigens opmerkelijk dat Nederland op die mogelijkheid heeft aangedrongen, maar van die mogelijkheid geen gebruikgemaakt heeft (Bijl, noot bij HR 26 september 2003, nr. 38.573, BNB 2003/354).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 187 lid 1 Btw-richtlijn en haar voorganger, art. 20 lid 2 Zesde Richtlijn, wordt voor investeringsgoederen de herziening gespreid over een periode van vijf jaar, het jaar van verkrijging of vervaardiging van de goederen daaronder begrepen. De lidstaten kunnen evenwel de herziening baseren op een periode van vijf volle jaren te rekenen vanaf de ingebruikneming van de goederen. Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal 20 jaar worden verlengd. Aanvankelijk stond art. 20 lid 2 Zesde Richtlijn toe dat de herzieningsperiode voor onroerende investeringsgoederen tot maximaal 10 jaren kon worden verlengd, maar bij de Tweede wijzigingsrichtlijn is de herzieningsperiode voor onroerende investeringsgoederen gesteld op maximaal 20 jaar.1 Hiermee is blijkens de considerans van deze richtlijn beoogd om lidstaten de mogelijkheid te geven om een herzieningsperiode toe te passen die meer in overeenstemming is met de economische levensduur van onroerende goederen. Is het praktisch effect van de herziening op grond van art. 187 Btw-richtlijn in een lidstaat onbeduidend, dan kan een lidstaat op grond van art. 191 Btw-richtlijn, na raadpleging van het Btw-comité afzien van de toepassing van dit artikel, rekening houdend met de totale btw-druk in de betrokken lidstaat en de noodzaak van administratieve vereenvoudiging en mits zulks niet tot concurrentieverstoring leidt. Uit de stukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn volgt dat (thans) art. 187 lid 1 en art. 191 Btw-richtlijn het resultaat is van een compromis. Op de totstandkoming van dit compromis wordt in de volgende paragraaf ingegaan.
8.5.4.4.1.1 Compromis tussen imperatieve en facultatieve herzieningsperiode8.5.4.4.1.2 Herzieningsperiode van vijf volle jaren vanaf het moment van ingebruikneming