Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.3.4.2
2.3.4.2 Deskundigen in afdeling 15.1 Omgevingswet
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702073:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Concept-Memorie van Toelichting bij het conceptwetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet p. 27 (https://www.internetconsultatie.nl/invoering_omgevingswet/details).
Concept-Memorie van Toelichting bij het conceptwetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet p. 128 (https://www.internetconsultatie.nl/invoering_omgevingswet/details).
Zie ook: Ten Have & Thoonen, O&A 2017/66, p. 162-163.
Zie bijvoorbeeld de nieuwe ‘Gemeentelijke praktijk nadeelcompensatie’ van de VNG, § 4.2 (https://vng.nl/brieven/vng-model-verordening-nadeelcompensatie-nieuw).
Tot dezelfde conclusie kwam al eerder Van Ravels, O&A 2015/88, p. 162.
Tjepkema & Van der Velden 2018, § 7.4.5.
ABRvS 3 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4693 (Nieuwegein); ABRvS 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:176, AB 2015/270 (Krimpen aan den IJssel).
Concept-Memorie van Toelichting bij het conceptwetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet p. 27 (https://www.internetconsultatie.nl/invoering_omgevingswet/details). De wetgever wijst er dan wel op dat die WOZ-gegevens voorhanden moeten zijn.
Nadrukkelijk over de causaliteit bijvoorbeeld: ABRvS 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1933; ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2462. En over de voorzienbaarheid: ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3715; ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2018.
Afdeling 15.1 neemt titel 4.5 Awb als uitgangspunt. Dat betekent onder meer dat de procedurele bepalingen van titel 4.5 Awb in beginsel van toepassing zijn op de toekenning van omgevingsrechtelijke nadeelcompensatie. Zoals hiervoor opgemerkt, is in titel 4.5 Awb vrijwel niets geregeld over de advisering door deskundigen. Enkel art. 4:130 Awb zegt daar iets over.
Ook in afdeling 15.1 is verder niets bepaald omtrent deskundigenadvisering. Dat is niet heel verrassend in die zin dat ook in het systeem van Wro en Bro het niet de formele wet, maar de daarop steunende AMvB is die de inschakeling van deskundigen voorschrijft. Art. 15.9 Omgevingswet maakt een dergelijke AMvB opnieuw mogelijk, maar dat heeft (nog) niet geresulteerd in nadere regels omtrent de inzet van deskundigen. In ieder geval is er onder vigeur van titel 4.5 Awb en afdeling 15.1 Omgevingswet niet langer sprake van een verplichte inschakeling van deskundigen. Dat blijkt nog wel het duidelijkst uit de MvT bij het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet zoals dat in januari 2017 in internetconsultatie ging:
“Ten opzichte van de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geldt niet meer de verplichting dat elke beslissing op een aanvraag om nadeelcompensatie van een deskundigenadvies moet zijn voorzien.”1
En verder:
“Zoals uit titel 4.5 van de Awb volgt, is het mogelijk om bij de behandeling van een aanvraag om vergoeding van schade een deskundigencommissie in te schakelen, maar dit is niet verplicht. Het wordt niet noodzakelijk geacht om een aparte grondslag op te nemen om een deskundigencommissie te kunnen inschakelen.”2
Het is opvallend dat deze passages in de uiteindelijke MvT niet terugkomen.3 De redenen daarvoor blijven in nevelen gehuld, maar het lijkt er niet op dat de regering van standpunt is veranderd.4 Dat niet steeds voor iedere aanvraag een deskundigenadvies moet worden ingewonnen, past ook wel binnen een zekere trend in het nadeelcompensatierecht.5 Zoals uit navolgende paragrafen nog zal blijken, wordt in recentere nadeelcompensatieregelgeving en -beleid zoals de Handleiding nadeelcompensatie bij infrastructurele maatregelen, de AVN Amsterdam en de procedureverordening Schadeschap Luchthaven Schiphol, ook al terughoudendheid betracht bij de inschakeling van deskundigen. Die trend wordt nu door de formele wetgever geïllustreerd. Het uitgangspunt voor de inschakeling van deskundigen lijkt daarmee te zijn veranderd van ‘in beginsel advies, tenzij…’ naar ‘in beginsel zelfstandige afdoening, tenzij…’. In hoofdstuk 9 laat ik mij uit over de wenselijkheid van die ontwikkeling.
In de meer terughoudende inzet van deskundigen speelt het kosten- en tijdsaspect een belangrijke rol.6 Ook bezien vanuit de veranderde materiële uitgangspunten voor de toekenning van omgevingsrechtelijke nadeelcompensatie, is de meer terughoudende inzet van deskundigen overigens wel verklaarbaar. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt afscheid genomen van de ‘planmaximalisatie’ (zie hiervoor in § 2.3.3.1). De peildatum voor het vaststellen van de schade is verplaatst naar de daadwerkelijke vergunningverlening of feitelijke verwezenlijking van de omgevingsplanmogelijkheid. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak meermaals heeft overwogen behoorde nu juist die maximale planvergelijking tot het exclusieve kennisdomein van deskundigen. 7De wetgever verwacht dan ook dat onder het nieuwe regime – waar er meer belang wordt gehecht aan de feitelijke situatie in de fysieke leefomgeving – minder vaak nood zal zijn aan externe deskundigheid. Zo wijst de wetgever er bijvoorbeeld op dat voor de hoogte van de compensatie ten gevolge van een waardedaling van een onroerende zaak gebruik kan worden gemaakt van WOZ-waarden of andere feitelijke gegevens. 8Ook de vaststelling van de hoogte van het normale maatschappelijke risico bij een waardedaling is in het nieuwe systeem minder complex. Bij indirecte schade maakt het wettelijke minimumforfait van 2% plaats voor een vast forfait van 4%. De wetgever denkt zodoende de voorspelbaarheid van de procedure te vergroten.9 Voeg daar nog bij dat de Afdeling bestuursrechtspraak voor de overige aspecten van de planschadebeoordeling – de causaliteit en de voorzienbaarheid – sowieso al niet aannam dat daar bijzondere deskundigheid voor was vereist,10 en het is duidelijk waarom de wetgever meent dat er in het nieuwe regime minder vaak nood is aan externe deskundigheid.