Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.1.5
3.3.1.5 Slotsom
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499062:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Het uitreiken van een creditfactuur is naar mijn smaak geen voorwaarde voor toepassing van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn, al wekt een creditfactuur wel de indruk dat de afnemer de overeengekomen prijs niet langer verschuldigd is.
Het HvJ bezigt in dit verband in het Almos- en Lombard-arrest de termen ‘eigenaar’ en ‘eigendom’. Ik ga ervan uit dat het HvJ hiermee (bij goederenleveringen) het btw-leveringsbegrip voor ogen heeft, zoals uitgekristalliseerd in bijvoorbeeld HvJ 8 februari 1990, nr. C-320/88, BNB 1990/271 (SAFE). In dit arrest heeft het HvJ bepaald dat het begrip levering van een goed niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in de door het nationale recht van de lidstaten voorziene vormen, maar dat het moet gaan om een overdrachtshandeling van het goed die de afnemer in staat stelt daadwerkelijk over het goed te beschikken als ware hij eigenaar van dat goed. Ik spreek overigens bewust over ‘prestaties’ in plaats van goederenleveringen, aangezien ik geen enkele reden zie waarom de categorie ‘annulering, verbreking en ontbinding’ niet ook betrekking heeft op diensten.
Hierbij merk ik op dat de categorie ‘niet-betaling’ zich volgens mij niet kan voordoen vóórdat de handeling is verricht, aangezien de btw alleen eerder dan de prestatie verschuldigd is bij het ontvangen van een vooruitbetaling (art. 65 Btw-richtlijn) (art. 66 Btw-richtlijn staat lidstaten alleen toe de verschuldigdheid later dan de prestatie te bepalen). Zie in dat verband vooral HvJ 21 februari 2006, nr. C-419/02, BNB 2006/172 (BUPA Hospitals), r.o. 44-48. In gevallen waarin een vooruitbetaling is gedaan, is de vergoeding dus al ontvangen, zodat voor niet-betaling geen ruimte is. Vgl. paragraaf 4.3.1.1.6.
HvJ 13 maart 2014, nr. C-107/13, V-N 2014/16.21 (FIRIN) (paragrafen 5.3.2.3-5.3.2.4). In r.o. 56 overweegt het HvJ onder verwijzing naar het hierna in het kader van de prijsverminderingen te bespreken Freemans-arrest (HvJ 29 mei 2001, nr. C-86/99, V-N 2001/35.27, paragraaf 3.3.3.1) dat in de situaties waarin de btw door de leverancier op grond van art. 65 Btw-richtlijn verschuldigd wordt (wegens een vooruitbetaling) geen herziening van de verschuldigde btw kan plaatsvinden zolang de vooruitbetaling niet is terugbetaald.
Zie voetnoot 42.
Vgl. HvJ 3 juli 1997, nr. C-330/95, V-N 1997/2988, 18 (Goldsmiths (Jewellers)), r.o. 16.
Zie ook het hierna in paragraaf 3.3.2.2 te bespreken GMAC-arrest (HvJ 3 september 2014, nr. C-589/12, V-N 2014/50.17).
Hiervoor heb ik drie arresten behandeld, waarin de categorie ‘annulering, verbreking en ontbinding’ centraal stond. Uit deze arresten blijkt dat annulering, verbreking en ontbinding niet alleen door de Uniewetgever, maar ook door het HvJ veelal in één adem worden genoemd en afwisselend worden gebruikt om één bepaalde situatie te duiden. Uit de hiervoor behandelde rechtspraak kan worden opgemaakt dat van annulering, verbreking en ontbinding sprake is als de oorzaak van het niet ontvangen van de tegenprestatie is gelegen in de situatie, waarin:
partijen zich weer zijn gaan bevinden, waarin zij zich vóór sluiting van de overeenkomst bevonden c.q. worden teruggeplaatst in hun oorspronkelijke toestand; hetgeen vooronderstelt dat:
de afnemer de overeengekomen prijs niet langer verschuldigd is;1
de leverancier niet langer zijn schuldvordering heeft;
de prestatie (indien verricht) weer terugkomt bij de leverancier;2 en
de leverancier de vergoeding (indien ontvangen) daadwerkelijk terugbetaalt aan de afnemer.
Dit zijn cumulatieve voorwaarden. Wat betreft de vierde voorwaarde laat ik bewust ruimte voor gevallen waarin de prestatie nog niet is verricht. Anders dan de categorie prijsvermindering, stelt art. 90 lid 1 Btw-richtlijn bij annulering, verbreking en ontbinding niet als voorwaarde dat de handeling moet hebben plaatsgevonden c.q. de prestatie moet zijn verricht.3 De vijfde voorwaarde volgt mijns inziens uit het hierna in het licht van de herziening van de aftrek te bespreken FIRIN-arrest.4
De onderhavige situatie van ‘annulering, verbreking en ontbinding’ kan in mijn optiek treffend worden vervat onder de noemer van het ‘ongedaan maken van de handeling’. Deze term is niet nieuw en brengt ons in wezen terug bij af. In het oorspronkelijke voorstel voor de Zesde richtlijn werd de ‘ongedaanmaking van de handeling’ namelijk als een opzichzelfstaande categorie genoemd, dat wil zeggen: naast de niet-betaling en prijsvermindering. De vraag komt op of de Uniewetgever er niet verstandig aan had gedaan om het bij deze ene term te laten, in plaats van over te stappen naar de annulering, verbreking en ontbinding. Ik zou menen van wel. Zoals uit het voorgaande blijkt, geeft het gebruik van deze woorden aanleiding tot (onnodige) discussies, die naar mijn idee de rechtszekerheid niet ten goede komen. De gedachte dat annulering, verbreking en ontbinding synoniem zijn aan de ongedaanmaking van de handeling betekent echter niet dat er geen ruimte meer is voor discussie. Ik denk bijvoorbeeld aan de vraag hoe moet worden omgegaan met de ongedaanmaking van diensten (voor zover deze niet reeds zijn verbruikt),5 maar ik zou menen dat ook deze situatie onder de reikwijdte van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn valt. Een andere vraag die bij mij opkomt, is hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin de leverancier niet aan zijn terugbetalingsverplichting (zie voorgaande opsomming onder 5) kán voldoen, bijvoorbeeld vanwege een faillissement van hemzelf of van zijn afnemer. Kan dan nog wel sprake zijn van de terugplaatsing van partijen in hun oorspronkelijke toestand? Ik meen van niet, maar kom hierover nog uitvoerig te spreken daar waar het de correctie aan de zijde van de debiteur betreft (paragraaf 5.3.3). Een andere vraag is of een handeling ook gedeeltelijk ongedaan kan worden gemaakt en, zo ja, wat dit doet met de maatstaf van heffing. Art. 90 lid 1 Btw-richtlijn benoemt die mogelijkheid namelijk niet, terwijl bij de niet-betaling de mogelijkheid tot gedeeltelijke niet-betaling wel wordt genoemd en bij de prijsvermindering het gedeeltelijk niet ontvangen van de vergoeding ligt besloten in de betreffende term. Ik ben van oordeel dat niets aan een gedeeltelijke ongedaanmaking in de weg staat en dat het dan ook in de rede ligt om de maatstaf van heffing deels, dienovereenkomstig, aan te passen.6 Een gedeeltelijke ontbinding zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als goederen en/of diensten deels zijn ‘verbruikt’ en de terugbetaling ook naar rato van dit gebruik plaatsvindt. Hierbij kan worden gedacht aan een doorlopende overeenkomst die ‘gedurende de rit’ wordt ontbonden, bijvoorbeeld indien een auto na loop van tijd weer terugkomt bij de leasemaatschappij, omdat de lessee verzuimd heeft om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Het lijkt mij in dat geval evident om een gedeeltelijke ongedaanmaking (en een gedeeltelijke niet-betaling) aan te nemen.7