Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/30.2.1
30.2.1 Algemeen
prof. mr. J.A.M.A Sluysmans, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. J.A.M.A Sluysmans
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aldus zijn toelichting op die wet: ‘Bij ontstentenis van administratieve rechtbanken, zal in den regel dezelfde besturende magt, welke de onteigening beval, moeten onderzoeken, of deze behoort te worden uitgesproken. Zij zou geroepen worden te beoordeelen of zij zelve alle vormen had in acht genomen en zou dus partij en regter te gelijker tijd wezen. Er blijft derhalve wel niet overige, dan met dat onderzoek den burgerlijken regter te belasten op eene wijze, waardoor de zwarigheden, tot welke zijne tusschenkomst aanleiding geeft, worden verminderd.’ (te vinden bij: W. Thorbecke, Stelsel en toepassing der Onteigeningswet, Arnhem: Gouda Quint 1880, p. 35).
Onder huidig recht – onder de wet van 1851 – is de omvang van de bestuursrechtelijke component van de onteigeningsprocedure beperkt. De procedure valt uiteen in twee delen: het deel waarin tot de daadwerkelijke onteigening (in de zin van: eigendomsovergang) wordt gekomen en het deel waarin de schadeloosstelling voor die onteigening wordt vastgesteld. Het tweede deel is exclusief het domein van de burgerlijke rechter, al had de geestelijk vader van de wet, Thorbecke, dat graag anders gezien.1 Het eerste deel kent een nadere onderverdeling tussen wat in de literatuur wordt aangeduid als de administratieve fase en de gerechtelijke fase. In de gerechtelijke fase spreekt de rechtbank op vordering van de onteigenaar de onteigening uit. Die vordering kan evenwel niet aanhangig worden gemaakt zonder dat een zogenaamd Koninklijk Besluit is gepubliceerd. Dat Koninklijk Besluit is de inzet van de administratieve fase.
Die administratieve fase begint in de meest voorkomende categorie van onteigening, de zogenaamde titel IV- of bestemmingsplanonteigening, met een verzoek van de beoogd onteigenaar (meestal een gemeente) aan de Kroon om te komen tot een Koninklijk Besluit tot aanwijzing ter onteigening van in het verzoek nader aangeduide onroerende zaken. De Kroon, dat is uiteraard de koning die – samen met de verantwoordelijk minister – elk Koninklijk Besluit van zijn handtekening voorziet. De procedure wordt in praktische zin evenwel ter hand genomen door ambtenaren werkzaam bij de corporate dienst van Rijkswaterstaat te Utrecht. Het zijn deze ambtenaren die het verzoek in behandeling nemen en de besluitvorming op dat verzoek voorbereiden met toepassing van afdeling 3.4 Awb. Dit betekent dat enige tijd na ontvangst van het verzoek een ontwerpbesluit met bijbehorende stukken ter visie wordt gelegd. Belanghebbenden krijgen van de Kroon een persoonlijke kennisgeving van die tervisielegging. Gedurende zes weken bestaat voor hen de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Tevens houdt de Kroon – wanneer daarvoor belangstelling bestaat – een hoorzitting teneinde gelegenheid te geven tot toelichting van zienswijzen. Binnen zes maanden na tervisielegging zal de Kroon tot besluitvorming (moeten) komen, maar niet dan nadat de Raad van State over het voorgenomen besluit is gehoord. Het Koninklijk Besluit moet tot slot in de Staatscourant worden