Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/5.4.1
5.4.1 Aflossingsfunctie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264412:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin: Roos 1995, p. 175. Zie §5.2.1.
Supreme Court of Transvaal 19 april 1907, Freeman Cohen’s Consolidated Ltd v General Mining and Finance Corporation Ltd, 1907 TS 224, p. 226-230; Witwatersrand Local Division 15 april 1996, Simon NO and Others v Mitsui and Co Ltd and Others, 1997 (2) SA 475 (W), p. 500-501; Supreme Court of Appeal 27 maart 2008, ABSA v Bisnath, [2008] ZASCA 23, p. 9-11; Wille/Scott & Scott 1987, p. 140; Van der Merwe 1989, p. 635 en 664; De Wet & Van Wyk 1992, p. 410; Wille/Du Bois e.a. 2007, p. 649; Lubbe & Scott 2008, nr. 360 en 426; Van der Merwe & Pienaar 2010, p. 1032-1033; Brits 2016, p. 145-149.
Tenzij partijen anders zijn overeengekomen, heeft het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie. Dit vloeit voort uit de samenhang tussen de regel dat de pandhouder het onderpand niet in zijn eigen voordeel mag gebruiken en de regel dat de pandhouder de vruchten van het onderpand dient te trekken en hierover rekening en verantwoording dient af te leggen. De synthese tussen deze twee regels is dat de pandhouder verplicht is om het onderpand te gebruiken in het belang van de pandgever.1 Dit betekent dat de pandgebruiker de gebruiksopbrengst ten goede moet laten komen aan de pandgever. Dit kan hij doen door de gebruiksopbrengst in mindering te laten komen op de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd.2