Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.2.1.1:5.2.1.1 Opstalrecht van rechtswege
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.2.1.1
5.2.1.1 Opstalrecht van rechtswege
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622171:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Struycken 2000, p. 836 e.v.
Struycken noemt als voorbeelden van krachtens de wet ontstane goederenrechtelijke rechten onder meer een vruchtgebruik en erfdienstbaarheid op grond van verjaring (artikel 3:202 resp. 5:72 BW), een wettelijk pandrecht van de certificaathouders conform artikel 3:259 BW, pandrecht op vorderingen die in plaats treden van een verhypothekeerd of verpand goed (artikel 3:229) of mandeligheid van een scheidsmuur ex artikel 5:62 BW.
Wessels en Snouckaert van Schauburg 2000b, p. 838.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de voorstanders van een zodanig nieuw zakelijk recht was Struycken. Ten aanzien van artikel 5.6 Tw (oud) heeft hij eerder voorgesteld dat de op grond van genoemd artikel aan de leidingbeheerder toegekende telecomleiding omschreven zou moeten worden als een opstalrecht van rechtswege:1
`De in de TW aan de concessiehouder toegekende eigendom laat zich uitstekend analyseren als een opstalrecht van rechtswege. (...) De eigendomsbepaling in de Tw wordt met een opstalrecht volledig recht gedaan. Deze benadering van een eigendomsbepaling zoals in de Tw verdient in het algemeen aanbeveling bij de uitleg van bijzondere wetten: het is m.i. wenselijk dat wettelijke afwijkingen van de goederenrechtelijke regels uit het BW zoveel mogelijk worden ingepast in het systeem van het goederenrecht. De duiding van het recht van de concessiehouder van een kabelnet als een opstalrecht brengt slechts mee dat sprake is van een eigendomsrecht.'
Dat van een uitdrukkelijke vestiging van dit beperkte recht door partijen zelf geen sprake is, acht Struycken niet van belang omdat er meer gevallen zouden zijn waarin een goederenrechtelijk recht krachtens de wet ontstaat.2 In reactie op de door Struycken geponeerde stelling ten aanzien van het ontstaan van een zakelijk recht van rechtswege, stelden Wessels en Snouckaert van Schauburg dat deze stelling geenszins overtuigend is:3
`Tekst en Toelichting van de Tw bieden geen enkel aanknopingspunt voor deze gezochte redenering. Op het BW kan de idee niet steunen, doordat nu eenmaal een andere wet ten aanzien van de eigendom iets anders kan bepalen. (...) Hoe dit zij, om met behulp van een uitzonderlijke figuur (beperkt recht dat van rechtswege ontstaat) een algemene regel te propageren waar het BW ook geen enkele basis voor biedt komt ons ongerijmd voor, temeer daar het wettelijk stelsel van beperkte rechten een gesloten stelsel is.'
Opvallend is dat beide tegenover elkaar staande standpunten van genoemde schrijvers gebaseerd zijn op het gesloten stelsel van het goederenrecht. Struycken meent dat wettelijke afwijkingen van het goederenrecht zoveel mogelijk in het systeem van het goederenrecht moeten worden ingepast, terwijl Wessels en Snouckaert van Schauburg menen dat de door Struycken aangevoerde oplossing (te weten: ontstaan zakelijke recht van rechtswege) juist in strijd is met het gesloten stelsel van het goederenrecht omdat het BW voor een dergelijk recht geen enkele basis biedt.