Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.5.3
10.2.5.3 Matiging wegens gebruik van vermoedens in de sfeer van de heffing?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940387:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, V-N 2008/6.4, NTFR 2008/157, r.o. 3.6.8.
Zie daaromtrent nader paragraaf 14.4.4.3.3 en paragraaf 16.5.4.
Ik merk ter voorkoming van verwarring op, dat het hierbij niet gaat om het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel voor de centrale stellingen. Bij de beoordeling van de strafmaat is de bewezenverklaring van het begaan van het beboetbare feit zelf immers een gepasseerd station. Het zou vanzelfsprekend niet juist zijn om een matiging toe te passen vanwege de relatief zwakke bewijskracht van het daartoe gebezigde bewijsmateriaal. Bovendien zou een bewezenverklaring dan, gelet op de vereiste bewijsgradatie (‘beyond reasonable doubt’), maar moeilijk voorstelbaar zijn.
Zie HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, waarover nader in paragraaf 10.4.2. Uit dit arrest wordt niet duidelijk of de omstandigheid dat de boetegrondslag ook voor jaren ver na 1994 gebaseerd is op de omvang van het saldo op 31 januari van dat jaar, moet worden meegewogen. Vgl. ook HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945, r.o. 4.6.3-4.6.4. Zie voorts paragraaf 14.4.4.3.3.
HR 5 april 2019, V-N 2019/19.16, BNB 2019/107, r.o. 5.10.1-5.10.3. Zie daarover nader paragraaf 14.4.4.3.3.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de belastingschuld in de sfeer van de heffing is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast, bij het passend en geboden-oordeel van de rechter moet worden meegewogen.1 Als die heffing tevens de boetegrondslag vormt, kunnen bestaande onzekerheden ten aanzien van de precieze omvang van de heffing aanleiding zijn om de boete te matigen.2 Naar mijn mening gaat deze regel ook op in gevallen waarin de omvang van de heffing in de sfeer van de heffing is bewezen aan de hand van feitelijke vermoedens. Onzekerheid is immers inherent aan het gebruik van vermoedens. Als die onzekerheid doorwerkt naar de boetesfeer, omdat de heffing in de hoedanigheid van boetegrondslag de strafmaat bepaalt, zal de rechter ook die onzekerheid moeten meewegen.3 Of de Hoge Raad hier hetzelfde over denkt, is echter niet duidelijk.4 Voor gevallen waarin de omvang van de heffing is bepaald door de toepassing van een wetsfictie heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat de rechter bij de beoordeling van de strafmaat rekening moet houden met die omstandigheid.5