Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.2.6
8.2.6 Bancair tuchtrecht in België
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268556:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Wet tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, betreffende de invoering van een bankierseed en een tuchtrechtelijke regeling, Belgisch Staatsblad 2 mei 2019, 2019041038/42443 (“het Belgische wetsvoorstel”). De datum van inwerkingtreding van het voorstel wordt bepaald nadat de Koning, uiterlijk op 31 december 2019, overleg heeft gevoerd met de banken in kwestie.
De eed wordt beschouwd als een individuele engagementsverklaring om de deontologische normen na te leven, en de tuchtrechtelijke regeling dient er op toe te zien dat deze zelfde normen worden nageleefd, zie art. 6 en 8 van het Belgische wetsvoorstel.
Art. 6 van het Belgische wetsvoorstel.
Wijzigingswet financiële markten 2013, Stb. 2012/678.
Zo oordeelde de Raad van State dat bankmedewerkers alleen op grond van hun contractuele relatie met een bank met elkaar zijn verbonden, en dat het niet het “bijzondere beroep” is dat de bankmedewerkers bindt, Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 11, p. 3. Zie ook D. Crul, ‘Bankentuchtrecht-op weg naar vertrouwen?, FR 2015, afl. 7/8, p. 287-288, S.A. Gawronski & A.J.P. Tillema, ‘De Bankierseed: panacee of symboolpolitiek?’, FR 2013, afl. 3, p. 68, J. E. Soeharno, ‘Een nieuw panopticon. Over het doel van tuchtrecht’, AA 2016, afl. 7/8, p. 496 en J.E. Soeharno, ‘Tuchtrecht en de wens tot integere bankiers. Een kritische beschouwing’, FR 2014, afl. 6, p. 249.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 10, p. 4 en Kamerstukken II, 2014/15, 33 918, nr. 16, p. 2.
Het Nederlandse bancair tuchtrecht is, vooralsnog, uniek in de wereld. Wel wordt er ook in België gewerkt aan de invoering van bancair tuchtrecht.1 Hoewel de daadwerkelijke invoering van het tuchtrecht in België op dit moment nog onzeker is, is het aardig om beide tuchtrechtelijke systemen op een aantal punten met elkaar te vergelijken. Het Belgische tuchtrecht komt in grote lijnen overeen met het Nederlandse stelsel, waarbij bankmedewerkers een eed afleggen en onderworpen worden aan tuchtrechtspraak. Anders dan in Nederland is echter gekozen voor een wettelijk georganiseerd tuchtrecht. Ook worden, anders dan in het Nederlandse systeem, de eed, gedragsregels (“deontologische normen”) en tuchtrecht rechtstreeks aan elkaar verbonden, wat op zichzelf een logischer systeem oplevert.2 Daar staat tegenover dat een wettelijk, van overheidswege ingericht tuchtrecht de voordelen mist van het Nederlandse hybride stelsel waarbij de banken zelf de verantwoordelijkheid dragen voor een adequaat functionerend tuchtrechtelijk systeem.
In de Belgische opzet zal het tuchtrecht gaan zien op diegenen die onder de verantwoordelijkheid van kredietinstellingen werken en “die werkzaamheden uitvoeren die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van de kernactiviteiten van de kredietinstelling” dan wel “deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan”.3 Gedacht kan worden aan medewerkers met klantcontact, bestuurders, hoger kader, en bijvoorbeeld de verantwoordelijken voor ICT of HR. Anders dan in Nederland zullen dus niet alle bankmedewerkers aan tuchtrecht worden onderworpen.
De Nederlandse regeling kent op dit punt een specifieke historie. Zo gold de bankierseed, zoals deze per 1 januari 2013 in Nederland werd ingevoerd, aanvankelijk uitsluitend voor dagelijks beleidsbepalers en interne toezichthouders.4 In 2014 werd voorgesteld om de groep medewerkers op wie de eed van toepassing zou zijn uit te breiden naar personen “wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden of die zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten”.5 Deze afbakening vertoont grote gelijkenissen met de groep die in het Belgische voorstel aan tuchtrecht wordt onderworpen. Uiteindelijk is er in Nederland voor gekozen om, waar het gaat om banken, zowel de eed als het tuchtrecht van toepassing te laten zijn op het gehele bankpersoneel. Deze uitbreiding is niet zonder kritiek gebleven.6 Om deze uitbreiding was nadrukkelijk verzocht door de NVB, en de Nederlandse regering heeft dit initiatief van de banken met wetgeving willen ondersteunen.7