Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.2.3.4:4.5.2.3.4 Hoorrechten en opsporing van strafbare feiten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.2.3.4
4.5.2.3.4 Hoorrechten en opsporing van strafbare feiten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946086:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 mei 1977, NJ 1978/692. Dit wordt bevestigd in: HR 16 juni 1998, NJ 1998/800.
Reijntjes, in: Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, art. 167a Sv, aant. 8 (online, bijgewerkt op 1 februari 2013).
Corstens, Borgers & Kooijmans 2018, p. 83-84.
Noot Borgers bij HR 16 november 2010, NJ 2012/437, paragraaf 3.
Kamerstukken II 2000-2001, 27745, nr. 6, p. 18-19.
Stcrt. 2016, 19414.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat het hoorrecht ingevolge art. 165a Sv – in tegenstelling tot het hoorrecht aangaande zedendelicten – deel uitmaakt van de regeling van klachtdelicten heeft ook gevolgen voor de mate waarin met die hoorrechten rekening moet worden gehouden bij het al dan niet verrichten van opsporingsonderzoek. De door een wettige vertegenwoordiger ingediende klacht opent de deur voor opsporing en het al dan niet voldoen aan art. 165a Sv is irrelevant voor de vraag of politie en justitie tot opsporing mogen overgaan van de feiten waaromtrent reeds een klacht is ingediend.
Bij art. 167a Sv is het antwoord op de vraag of en in hoeverre opsporingsonderzoek mag plaatsvinden alvorens de betrokkene te horen minder evident. In de literatuur en jurisprudentie is algemeen aanvaard dat de ratio die ten grondslag ligt aan de regeling van klachtdelicten met zich brengt dat naast vervolging ook opsporing achterwege blijft totdat een klacht is ingediend. De gedachte is immers dat ook opsporing kan leiden tot ruchtbaarheid voor bepaalde feiten die de betrokkene wiens belangen door het klachtrecht worden beschermd onwenselijk acht. Dit bracht de Hoge Raad tot het standpunt dat opsporingsonderzoek bij het ontbreken van een klacht slechts plaats dient te hebben indien de klachtgerechtigde te kennen geeft daarop prijs te stellen.1 Reijntjes ziet hierin een aanknopingspunt voor de stelling dat de strafbare feiten waarop art. 167a ziet ook pas zouden moeten worden opgespoord nadat de in art. 167a Sv bedoelde betrokkene daarover is gehoord.2Art. 167a Sv geeft immers mede invulling aan het recht tot seksuele zelfbepaling van jeugdigen en strafrechtelijk optreden moet blijkens de wetsgeschiedenis achterwege blijven indien de belangen van het kind daartoe nopen.3 Anderzijds wijst Reijntjes erop dat met het vervangen van het klachtrecht door een hoorrecht ook een meer efficiente repressie van seksueel misbruik is beoogd en dat dit zich slecht verhoudt met de gedachte dat pas mag worden opgespoord nadat de betrokkene is gehoord. Reijntjes komt tot de slotsom dat de in art. 167a Sv bedoelde gelegenheid in beginsel zou moeten worden geboden voor aanvang van de opsporing, maar dat in spoedeisende gevallen daarvan kan worden afgeweken. Dit maakt slagvaardig optreden mogelijk en tegelijkertijd wordt ongewenst ingrijpen zoveel mogelijk voorkomen. Corstens, Borgers en Kooijmans voegen daaraan toe dat het voorschrift ex art. 167a Sv van zijn betekenis zou worden ontdaan indien het niet in een vroeg stadium van het onderzoek wordt nageleefd.4 Borgers acht het aanvaardbaar dat politie en justitie bij een verdenking van één van de in art. 167a Sv vermelde feiten een beeld willen krijgen van de zaak en in dat verband onderzoekshandelingen verrichten. Dit laat zijns inziens echter onverlet dat de strekking van art. 167a Sv met zich brengt dat in de loop van het onderzoek het standpunt van de minderjarige moet worden ingewonnen en dat dit standpunt zou moeten worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of voortzetting van het onderzoek is geraden.5
In de wetsgeschiedenis is enerzijds verwoord dat het voor de hand ligt dat het openbaar ministerie de minderjarige “in een vroeg stadium van het onderzoek” in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen.6 Anderzijds is benadrukt dat het openbaar ministerie ook zelf tot een beoordeling tracht te komen of sprake is van strafwaardig misbruik van de minderjarige en dat het openbaar ministerie “alle aspecten van de zaak” beoordeelt alvorens te komen tot een vervolgingsbeslissing.7 Deze opmerkingen in de wetsgeschiedenis ondersteunen de gedachte dat de wetgever bij de wetswijziging geenszins voor ogen had dat opsporing moet worden uitgesloten totdat de minderjarige op grond van art. 167a Sv is gehoord. De Aanwijzing Zeden laat geen ruimte voor discussie op dit punt, doordat daarin is overwogen dat zedendelicten geen klachtdelicten zijn en deze feiten dus ambtshalve kunnen worden opgespoord en vervolgd.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen van beide hoorrechten implicaties heeft voor de mogelijkheid om opsporing te verrichten. In relatie tot art. 165a Sv is daarop niets af te dingen, omdat reeds een klacht is ingediend die tot uitdrukking brengt dat de wettige vertegenwoordiger vervolging wenst. Bij art. 167a Sv ligt dit anders nu deze bepaling mede strekt ter bescherming van de seksuele vrijheid van jeugdigen. Dat brengt niet met zich dat opsporing is uitgesloten totdat de minderjarige is gehoord, maar het geeft wel aanleiding om daarbij terughoudendheid te betrachten. Het is aangewezen de minderjarige in een vroeg stadium van het onderzoek te horen en het ingewonnen standpunt te betrekken bij de vraag of verdere opsporing opportuun is. Het in een vroeg stadium inwinnen van het standpunt van de minderjarige betrokkene (en het meewegen van dat standpunt bij de vraag of en welke opsporingshandelingen geraden zijn) laat onverlet dat de officier van justitie de vrijheid behoudt om pas op een later moment te beslissen of de verdachte al dan niet moet worden vervolgd. Door op deze wijze invulling te geven aan art. 167a Sv wordt niet tekortgedaan aan de mogelijkheid om misbruik effectief op te sporen en wordt tegelijkertijd ruimte geboden aan de seksuele zelfbepaling van jeugdigen.