Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/4.5
4.5 Een nationaal voorbeeld als bevestiging – schending van art. 3 EVRM bij tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692204:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:500, NJ 2015/232.
Althans in beginsel omdat er natuurlijk discussie kan zijn over het aanvangstijdstip van de straf, de vraag of de straf al geheel ten uitvoer is gelegd en ook over de modaliteiten van een straf. De burgerlijke rechter zal dan als restrechter benaderd kunnen worden bij een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering.
Zij het dat hij geen veroordeling uitsprak omdat het tijdstip waarop de betrokken eiser zou moeten worden vrijgelaten nog zo ver verwijderd was dat er geen spoedeisend belang was.
HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0351, NJ 2005/196, m.nt. E.A. Alkema.
HR 1 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0130, NJ 1991/413, m.nt. Th.W. van Veen.
Dat zou hij gedaan hebben als er nog een spoedeisend belang was geweest.
153. Het is wet en vaste jurisprudentie dat de Staat (het Openbaar Ministerie) verplicht is een door de strafrechter uitgesproken straf of maatregel ten uitvoer te leggen.1 Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat eraan in de weg dat de burgerlijke rechter de Staat beveelt de tenuitvoerlegging van een straf te staken.2 Wat de burgerlijke rechter wel kan – en ook moet – is een tenuitvoerlegging die in strijd is met art. 3 EVRM doen staken. Daarbij zal het in de regel gaan om het staken van een bepaalde vorm van tenuitvoerlegging, namelijk die vorm die strijd met art. 3 EVRM veroorzaakt. Daarmee wordt niet de tenuitvoerlegging van de door de strafrechter opgelegde straf verboden, omdat normaal gesproken een vorm van tenuitvoerlegging die niet in strijd is met art. 3 EVRM ook mogelijk zal zijn, zodat op het uitgangspunt dat de Staat gehouden is rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen geen inbreuk behoeft te worden gemaakt.
154. De voorzieningenrechter in Den Haag zag zich in 2003 gesteld voor de vraag of hij de verdere tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, waarvan de modaliteiten door het EHRM in strijd met art. 3 EVRM waren geoordeeld, mocht doen staken. Het ging in die zaak om een veroordeelde die in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) was geplaatst en daar werd onderworpen aan frequente visitaties aan het lichaam. Het EHRM heeft daarvan geoordeeld dat dit een onmenselijke of in ieder geval vernederende bestraffing was.
155. Toen de voorzieningenrechter over de zaak moest oordelen was de klager al overgeplaatst naar een andere penitentiaire inrichting. De omstandigheden van de tenuitvoerlegging die in strijd waren met art. 3 EVRM waren daarmee al beëindigd, zodat de voorzieningenrechter geen maatregel behoefde te treffen die tot die beëindiging leidde. Maar de straf was nog niet volledig ten uitvoer gelegd en de vraag was of de verdere tenuitvoerlegging kon worden verboden bij wijze van rechtsherstel voor de eerdere schending van art. 3 EVRM. De voorzieningenrechter beantwoordde die vraag bevestigend.3 De Hoge Raad liet dat oordeel in stand.4 Daarbij nam de Hoge Raad tot uitgangspunt dat op grond van het EVRM op de Staat de verplichting rust om te zorgen voor rechtsherstel. De Staat is daarbij volgens de Hoge Raad in beginsel vrij in de wijze waarop hij aan deze verplichting gevolg geeft. Deze vrijheid houdt echter niet in dat hij vrij is in de wijze waarop het herstel plaatsvindt en dat de nationale rechter daarover geen beslissing zou kunnen nemen, maar betekent slechts dat binnen de nationale rechtssfeer naar een passende vorm van herstel moet worden gezocht. De eiser kon naar nationaal recht aanspraak maken op schadevergoeding en die schadevergoeding kan ook plaatsvinden in een andere vorm dan betaling van een geldsom. Omdat het hier ging om een schending van art. 3 EVRM door de wijze van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, kon het herstel plaatsvinden in de vorm van staking van de tenuitvoerlegging. Het bevel tot staking van de verdere tenuitvoerlegging moest daarom worden gezien als een in de bijzondere omstandigheden van het geval passende vorm van schadevergoeding in natura.
156. Ik bespreek deze zaak omdat het laat zien hoe groot de ruimte is van de nationale rechter om ook bij een vastgestelde schending van een van de materiële rechten uit het EVRM een oplossing te zoeken die recht doet aan het recht op herstel van dat geschonden recht. Het nationale uitgangspunt dat een door de rechter opgelegde straf nu eenmaal volledig ten uitvoer moet worden gelegd en dat de Staat niet de vrijheid heeft om daarover een andere afweging te maken, moet daarvoor dan kunnen wijken.
157. De Hoge Raad had overigens al eerder aanvaard dat op het uitgangspunt dat straffen ten uitvoer moeten worden gelegd, en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat de burgerlijke rechter de veroordeling door de strafrechter toetst, een uitzondering moet worden gemaakt ingeval een uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, noopt tot de conclusie dat de beslissing tot stand is gekomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling in de zin van art. 6, lid 1 EVRM.5 Die beslissing werd mede gemotiveerd met een beroep op art. 13 EVRM en de Hoge Raad voegde daaraan toe dat de rechter in kort geding in dat geval de tenuitvoerlegging van de straf kan verbieden, onderbreken of beperken. Daarmee heeft de Hoge Raad de preventieve werking van art. 13 EVRM tot uitdrukking gebracht omdat met het staken van de verdere tenuitvoerlegging ook de schending van het materiële recht uit het EVRM werd beëindigd.
158. Er hoeft geen twijfel over te bestaan dat de burgerlijke rechter een met art. 3 EVRM strijdige situatie kan beëindigen. In dat geval handelt de Staat door de wijze van tenuitvoerlegging immers onrechtmatig en zal een op beëindiging van die situatie toegesneden maatregel kunnen worden getroffen. Niet alleen art. 3:296 BW dwingt daartoe, maar ook art. 13 EVRM. Het interessante aan het arrest van 31 oktober 2003 is dat de schending van art. 3 EVRM al voorbij was op het moment waarop de voorzieningenrechter de situatie moest beoordelen. Dat hij toch de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf kon verbieden6 laat zien hoe belangrijk het is dat het geboden herstel daadwerkelijk een remedie is tegen de geschonden norm. Het rechterlijk bevel en verbod spelen daarbij dus – ook als die feitelijk een vorm van schadevergoeding in natura inhouden – een belangrijke rol. De nationale kaders waarbinnen het rechterlijk bevel en verbod vorm hebben gekregen staan daaraan niet in de weg.