Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/3.7:3.7 Nieuwkoop/Ontvanger: verrekening door de fiscus is geen wijze van invordering; de schuld van de verrekenende partij hoeft niet liquide te zijn
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/3.7
3.7 Nieuwkoop/Ontvanger: verrekening door de fiscus is geen wijze van invordering; de schuld van de verrekenende partij hoeft niet liquide te zijn
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS612064:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover eveneens Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II, p. 205.
Thans art. 6:127 lid 1 BW: zie § 2.2.2.
In de weergave van het arrest in de NJ wordt in rechtsoverweging 3.2 twee maal het begrip 'verrekende partij' gebruikt, daar waar kennelijk wordt bedoeld 'verrekenende partij'.
Zie § 2.2.4.3.
Zie § 3.2.
NJ 1994, 435, onder nr. 9.
Zie daarover de § 1.4, 1.8.3 en 3.2.
Zie art. 6:127 lid 3 BW.
Zie § 2.2.4.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De casus van het arrest Nieuwkoop/Ontvanger is reeds in § 1.2 beschreven, als verrekeningsgeval 1. De overwegingen in het arrest zijn in tweeërlei opzicht voor dit onderzoek van belang. Ten eerste stelt de Hoge Raad vast dat het toepassen van verrekening door de ontvanger niet als maatregel van invordering kan worden beschouwd, maar veeleer als een wijze van voldoening van een schuld. In het verlengde daarvan overweegt de Hoge Raad dat uit de Iw 1845 noch uit enige andere wet voortvloeit dat de ontvanger de bevoegdheid zou missen zijn verplichting tot onverschuldigde betaling te verrekenen met hetgeen hij in de uitvoering van zijn publiekrechtelijke taak te vorderen heeft.1 Ten tweede geeft de Hoge Raad een belangwekkend materieel oordeel over de verrekeningsregels van het BW. Nieuwkoop had zich op het standpunt gesteld dat de ontvanger niet tot verrekening kon overgaan omdat op het moment dat hij zich op verrekening beriep, dan wel de cessie aan hem werd betekend (1 augustus 1986), weliswaar de betreffende aanslagen ten laste van Goedkoop opeisbaar en liquide waren, maar de teruggaafverplichting van de ontvanger aan Goedkoop nog niet opeisbaar en liquide was. Er liep namelijk nog een procedure tot vernietiging van de betreffende aanslag. Pas eind 1987 werd de betreffende aanslag, waaromtrent Goedkoop zich op onverschuldigde betaling had beroepen en die hij aan Nieuwkoop had gecedeerd, onherroepelijk door de belastingrechter vernietigd. Daarmee werd de vordering uit onverschuldigde betaling alsnog opeisbaar en liquide.
Het Hof te Amsterdam wees het beroep op verrekening door de ontvanger toe. Het Hof overwoog daarbij dat de ontvanger reeds vóór het tijdstip waarop de cessie aan hem werd betekend tot verrekening bevoegd was en hij zich ook na die betekening jegens Nieuwkoop op verrekening kon beroepen. In het oordeel van het Hof lag besloten dat volgens artikel 1463 BW (oud) voor een beroep op verrekening niet nodig is dat de schuld van degene die dit beroep doet, in casu de ontvanger, opeisbaar en liquide is. De Hoge Raad acht dit oordeel van het Hof juist. De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van artikel 1463 BW (oud)2 verrekening plaats vindt door een verklaring van de schuldenaar aan zijn schuldeiser dat hij zijn schuld met een vordering op zijn schuldeiser verrekent. Daarvan uitgaande bestaat volgens de Hoge Raad geen goede grond te verlangen dat behalve de vordering van de verrekenende3 partij ook haar schuld liquide is. Door de verrekeningsverklaring geeft zij immers te kennen dat zij van eventuele verweren afziet. Dat geldt naar het oordeel van de Hoge Raad eveneens voor wat betreft de opeisbaarheid. Volgens de Hoge Raad is dit anders indien de schuld niet opeisbaar zou zijn uit hoofde van een in het belang van de wederpartij van de verrekenende gemaakt beding.4 Daarvan was in casu geen sprake. De Hoge Raad aanvaardt dan ook niet de door Nieuwkoop naar voren gebrachte stelling dat, indien de schuld waarop de verrekenende partij zich beroept is gecedeerd, verrekening alleen mogelijk zou zijn indien zij zich vóór de cessie op verrekening heeft beroepen.
De overwegingen van de Hoge Raad in het arrest Nieuwkoop/ Ontvanger over de verrekeningsbevoegdheid zijn zodanig algemeen verwoord, dat zij zich naar mijn mening niet beperken tot de verrekening door de ontvanger. De Hoge Raad overweegt dat vorderingen tot betaling van geldsommen die partijen over en weer op elkaar hebben, in beginsel vatbaar zijn voor verrekening, ongeacht de aard van de rechtsverhoudingen waaruit die vorderingen zijn ontstaan. Dat is volgens de Hoge Raad anders wanneer uit de wet voortvloeit dat de aard van de rechtsverhouding waaruit de schuld voorspruit zich ertegen verzet dat de schuldenaar zijn schuld verrekent met een vordering die hij op de wederpartij mocht hebben. De Hoge Raad stelt vast dat uit de Iw 1845 noch uit enige ander wet voortvloeit dat de ontvanger de bevoegdheid mist zijn verplichtingen tot terugbetaling van onverschuldigd voldane belasting te verrekenen met hetgeen hij in de uitvoering van zijn publiekrechtelijke taak te vorderen heeft. Op dezelfde wijze kan mijns inziens worden gesteld dat uit de Iw 1845 noch uit enige andere wet voortvloeide dat de belastingplichtige de bevoegdheid zou missen zijn verplichting tot betaling van een belastingschuld te verrekenen met hetgeen hij of zij van de fiscus te vorderen heeft. De verrekening voltrok zich vóór de invoering van artikel 24 Iw 1990 geheel buiten de sfeer van de Iw 1845. Naar mag worden aangenomen, gold dat zowel ten aanzien van de fiscus als ten aanzien van de belastingplichtige. Voorts lijkt het erop dat de strenge leer van de Hoge Raad in Beoosten de Vecht, die er op neerkwam dat de belastingplichtige belastingschulden niet zou mogen verrekenen, sinds 1930 niet meer van toepassing was.5 Sindsdien had de belastingplichtige in het kader van de verrekening dus dezelfde (civielrechtelijke) bevoegdheden als de fiscus, tot de invoering van de Iw 1990.
Snijders heeft in zijn noot bij het arrest in de NJ6 duidelijk moeite met de civielrechtelijke benadering van de Hoge Raad. Hij stelt dat de weg die de Hoge Raad met dit arrest inslaat - toepasselijkheid van het civiele verrekeningsrecht op publiekrechtelijke schulden - 'niet onbegaanbaar' is, maar in ieder geval flankerende regels vraagt. Hij wijst in dat verband naar § 395 BGB.7 Die civielrechtelijke bepaling geeft een schuldenaar van de overheid de mogelijkheid tot verrekening over te gaan, mits de te verrekenen tegenvordering op dezelfde 'Kasse' bij de overheid betrekking heeft. Ik ben het op zichzelf met deze kanttekening van Snijders eens. Indien verrekening van belastingschulden en -vorderingen zou zijn onderworpen aan de civielrechtelijke verrekeningsregels, ligt het voor de hand dat de verrekening uitsluitend ziet op vorderingen en schulden die betrekking hebben op de relatie tussen de belastingplichtige en de fiscus. Daarbij verdient vermelding dat aannemelijk is dat met het civielrechtelijke vereiste van identiteit van vermogens8 eveneens kan worden bereikt dat niet een verrekening plaats gaat vinden met hierbuiten vallende vorderingen op de overheid 9