Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.9.3
17.9.3 Punitief gebruik bewijsvermoedens in het licht van het recht tegen gedwongen zelfbelasting
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499578:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij verwijst Pechler naar r.o. 3.3 van het zojuist genoemde arrest van 25 november 2011,BNB 2012/28. In zijn noot onder dit arrest wijst Albert erop dat dit een overweging ten overvloede is, waarin de raad op verzoek van de staatssecretaris van Financiën een nadere uitleg van een bewijsregel uit zijn arrest van 15 april 2011,BNB 2011/206 (m.nt. Albert) geeft (‘de omstandigheid dat een belanghebbende op 31 januari 1994 enig banktegoed aanhield kan niet zonder aanvullend bewijs, zoals ervaringsregels, een vermoeden rechtvaardigen dat die belanghebbende ook in andere jaren een banktegoed heeft aangehouden’).
A-G Niessen, conclusie bij HR 15 maart 2013, BNB 2013/140 (m.nt. Pechler).
EHRM 5 april 2012 (Chambaz t. Zwitserland), AB 2012/323 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik); EHRC 2012/135 (m.nt. Niessen).
Pt. 8.26 e.v.
Pt. 8.33 e.v.
Vgl. de brief van de staatssecretaris van Financiën van 12 mei 2011, nr. DGB2011/2394 U, V-N 2011/26.5, antwoord op vraag 5.
Zie § 15.1 hiervoor.
Het gebruik van bewijsvermoedens dat niet afstuit op de onschuldpresumptie in art. 6, lid 2 EVRM, kan in strijd komen met het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Dan gaat het vooral om bewijsconstructies waarin de vaststaande – maar voor het bewijs van de (vergrijp)boete onvoldoende – feiten worden geëxtrapoleerd, bijvoorbeeld door het gebruik van ervaringsregels. De belastingkamer van de HR staat het gebruik van dergelijke regels onder voorwaarden toe.
Voorwaarden ten aanzien van het gebruik van ervaringsregels
In het zojuist genoemde arrest van 15 april 2011, nr. 09/03075, geeft de belastingkamer als bewijsregel dat kort gezegd ervaringsregels als aanvullend bewijs een vermoeden kunnen rechtvaardigen.1 In het kort daarop gewezen arrest van 25 november 2011, nr. 11/01393, laat de belastingkamer de mogelijkheid open, dat het bewijs voor de boeteoplegging wordt geleverd met behulp van gegevens die betrekking hebben op anderen dan de weigerachtige boeteling (vgl. de ‘meewerkers’ in KBLux-zaken) en noemt hij uitdrukkelijk ervaringsregels als bewijsmiddel.2
Het arrest van de belastingkamer van 28 juni 2013, nr. 11/04152, opnieuw een KBLux-zaak betreffende een weigeraar, borduurt op de zojuist genoemde arresten voort.3 Daaruit volgt dat de vaststelling dat de (weigerachtige) belanghebbende op zekere datum beschikte over een aanzienlijk saldo, hij dat saldo en de rente-inkomsten niet in de aangifte over het desbetreffende jaar heeft verantwoord en hij de rentevrijstelling voor dat jaar al volledig had benut, aanleiding is te vermoeden dat opzettelijk te lage aangiften inkomstenbelasting zijn gedaan. Dit vermoeden volstaat voor het opleggen van een vergrijpboete door de inspecteur.
In pt. 2 van zijn noot onder het arrest wijst Pechler erop dat gegevens van ‘meewerkers’ een vorm van indirect bewijs zijn. Het betreft gegevens die betrekking hebben op anderen dan de belastingplichtige zelf. Anders dan geldt voor de belastingheffing is de bewijskracht daarvan voor de boeteoplegging gering. Bij rechtstreeks bewijs gaat het om gegevens die betrekking hebben op de belastingplichtige persoonlijk. Deze gegevens kunnen afkomstig zijn van de belastingplichtige zelf, maar ook van derden. Ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid zijn rechtstreeks bewijs, omdat ze algemene gelding hebben en daarom ook kunnen worden betrokken op de belanghebbende persoonlijk.4 Ze blijken van cruciaal belang voor het bewijs van het beboetbare feit bij weigeraars; ook in het onderhavige geschil.
Concl. Niessen voor HR 15 maart 2013, nr. 12/00097
In zijn conclusie bij de uitspraak van de belastingkamer van de HR van 15 maart 2013, nr. 12/00097, inzake navorderingsaanslagen en boetes opgelegd aan een door de Belastingdienst geïdentificeerde, weigerachtige rekeninghouder bij KBLux, toont A-G Niessen zich sceptisch over het gebruik van vermoedens voor het bewijs van het te beboeten feit.5Hij wijst erop dat het EHRM in zijn arresten over het gebruik van vermoedens, telkens heeft overwogen dat de rechten van de verdediging niet mogen worden geschonden, terwijl dat wel zou gebeuren indien een vorm van bewijs wordt toegestaan die de belanghebbende alleen kan weerleggen door zichzelf te belasten. Met verwijzing naar het arrest Chambaz6 is Niessen van oordeel dat het door de boeteling leveren van tegenbewijs voor een ervaringsregel (in casu statistische gegevens betreffende de hoogte van de saldi van een KBLux-rekening, die ver verwijderd zijn van (de aanwijzingen over) de belanghebbende zelf), in de regel zelfbelasting zal impliceren en dus niet mag worden verlangd. Dit brengt met zich mee dat de inspecteur het bewijs moet leveren met behulp van andere, op belanghebbende zelf betrekking hebbende bewijsmiddelen.7 Deze middelen kunnen zo nodig worden aangevuld met ervaringsregels (of feiten van algemene bekendheid), maar over de bruikbaarheid hiervan voor specifiek beboetingsdoeleinden is Niessen terughoudend.8
Omdat in cassatie niet is geklaagd over de door Niessen aan de orde gestelde punten, oordeelt de belastingkamer van de HR daar niet over. In de eerder in dit onderdeel genoemde arresten staat de HR in ieder geval een ruimer gebruik van bewijsvermoedens c.q. ervaringsregels toe. Hiervoor pleit dat de opvatting van Niessen impliceert, dat het weigeren van medewerking in het voordeel van de boeteling strekt.9 De belastingkamer van de HR lijkt juist van opvatting dat verdachte belastingplichtigen niet beter af mogen zijn dan onverdachte belastingplichtigen.10 Voorstelbaar is dat de raad voor wat betreft de boeteoplegging van opvatting is dat de betrokkene zijn straf niet mag ontlopen, mits het recht tegen gedwongen zelfbelasting niet te zeer wordt uitgehold. Kennelijk legt Niessen de lat hoger.