Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.6.4
5.6.4 Europese eisen aan subsidieverplichtingen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS394894:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HvJEG 4 december 2008, C-391/07 (Glencore Grain Rotterdam), Jur. 2008, p. 1-9117.
HvJEG 4 december 2008, C-391/07 (Glencore Grain Rotterdam), Jur. 2008, p. 1-9117, r.o. 45.
HvJEG 21 juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), Jur. 2007, p. 1-6103, AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden. Zie HvJEG 5 oktober 1999, C-84/96 (Commissie/Nederland), Jur. 1999, p. 1-6547, AB 2000, 7, m.nt. F.H. van der Burg, r.o. 26 waaruit blijkt dat deze regel ook geldt in de verhouding tussen de Europese Commissie en de lidstaat.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.7.
Zie HvJEG 21juni 2007, C/158-06 (Stichting ROM), Jur. 2007, p. 1-5103, AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden.
Zie hieromtrent ook hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.3.4.
HvJEG 19 september 2002, C-336/00 (Huber), Jur. 2002, p. 1-7699.
HvJEG 19 september 2002, C-336/00 (Huber), Jur. 2002, p. 1-7699, r.o. 40.
Het Hof van Justitie beoordeelt regelmatig of Europese subsidieverplichtingen die rechtstreeks doorwerken in de subsidieverhouding tussen het nationale uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van de Europese subsidie in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.1 In dat verband maakt het Hof van Justitie een belangenafweging tussen het belang van de opgelegde subsidieverplichting in het kader van de fraudebestrijding enerzijds en de belasting die de verplichting betekent voor de eindontvanger van de Europese subsidie anderzijds.2
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt verder dat de eindontvanger van de Europese subsidie in staat moet zijn, zijn rechten en verplichtingen ondubbelzinnig te kennen en dienovereenkomstig zijn voorzieningen te treffen.3 Dit vloeit voort uit het in hoofdstuk 3 besproken rechtszekerheidsbeginsel.4 Subsidieverplichtingen uit Europese subsidieverordeningen die zich lenen voor rechtstreekse doorwerking in de nationale subsidieverhouding, voldoen uiteraard aan dit kenbaarheidsvereiste. Lastiger ligt dit voor verplichtingen uit Europese subsidieverordeningen die gelden in de subsidieverhouding tussen de Europese Commissie en de lidstaat en verplichtingen die zijn neergelegd in Europese besluiten die zijn gericht tot de lidstaat. Zoals in de vorige paragraaf besproken, heeft het Hof van Justitie nog niet bepaald in hoeverre dergelijke bepalingen kunnen worden gekwalificeerd als kenbare subsidieverplichtingen voor de eindontvanger voor de Europese subsidie. Duidelijk is dat een besluit van de Europese Commissie die is gericht tot de lidstaat, maar niet is gepubliceerd in ieder geval geen kenbare subsidieverplichting is.5 Hoewel dit nog niet expliciet door het Hof van Justitie is bevestigd, zou mijns inziens evenmin sprake kunnen zijn van een kenbare subsidieverplichting voor de eindontvanger van de Europese subsidie indien deze zijn te vinden in bepalingen in Europese besluiten van algemene strekking die zijn gericht tot de lidstaat dan wel in bepalingen neergelegd in Europese verordeningen die expliciet zijn gericht tot de lidstaat. Naar mijn mening kan niet van de eindontvanger van de Europese subsidie worden verwacht dat hij acht slaat op bepalingen die expliciet niet tot hem zijn gericht. Indien de Europese instellingen wensen dat de verplichtingen rechtstreeks op grond van de Europese subsidieregelgeving aan de eindontvanger van de Europese subsidie kunnen worden tegengeworpen, dan dienen deze verplichtingen in bepalingen van Europese verordeningen te worden neergelegd waarvan duidelijk is dat zij tot de eindontvanger zijn gericht.6
Ook als nationale uitvoeringsorganen subsidieverplichtingen met een Europese oorsprong voor eindontvangers van Europese subsidies hebben neergelegd in nationale regelgeving, stelt het Hof van Justitie de eis dat deze subsidieverplichtingen voor de eindontvangers kenbaar zijn, zo blijkt uit het arrest Huber.7
In het arrest Huber ging het om een Oostenrijkse boer wiens Europese plattelands-ontwikkelingssubsidie werd ingetrokken omdat hij de voorwaarden uit het nationale steunprogramma ter uitvoering van de Europese subsidieregeling (in het arrest: de 0Pa-richtlijn) niet had nageleefd. Het Hof van Justitie stelt voorop dat de goedkeuring door de Europese Commissie van de 0Pa-richtlijn niet tot gevolg heeft dat dit de hoedanigheid van een gemeenschapsrechtelijke handeling krijgt.8 Het Hof van Justitie beziet echter wel in hoeverre de bepalingen uit de 0Pa-richtlijn aan Huber kunnen worden tegengeworpen. Huber voerde aan dat voormelde richtlijn niet was gepubliceerd, maar slechts was te raadplegen op het ministerie van Land- en Bosbouw in Wenen. De Oostenrijkse regering was van mening dat in de wenken die worden overgelegd aan landbouwers die een steunaanvraag wensen in te dienen in voldoende mate werd verwezen naar het bestaan en de inhoud van voormelde richtlijn. Het Hof van Justitie geeft in r.o. 58 aan dat voor de beoordeling of van terugvordering moet worden afgezien onder meer relevant is of het steunaanvraagformulier dan wel de daarbij gevoegde wenken nauwkeurige verplichtingen betreffende het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vermelden; in hoeverre de 0Pa-richtlijn geheel of gedeeltelijk in de steunovereenkomst is opgenomen; of de 0Pa-richtlijn of het ontwerp ervan daadwerkelijk aan Huber is meegedeeld en zo niet, of Huber door na te laten op het ministerie te Wenen de tekst van de richtlijn te raadplegen om de exacte inhoud van die richtlijn te weten te komen, niet de zorgvuldigheid van een normaal zorgvuldige landbouwer aan de dag heeft gelegd en in het bijzonder of een dergelijke raadpleging ter plaatse om de juiste omvang van zijn verplichtingen te vernemen, geen buitensporige last betekent. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om te bepalen of Huber te goeder trouw was en daarom de subsidieverplichtingen niet aan hem kunnen worden tegengeworpen.
Uit het arrest Huber volgt dat er Europeesrechtelijk gezien ook sprake is van kenbare subsidieverplichtingen indien zij in het aanvraagformulier zijn vermeld of in de handleiding bij het indienen van die aanvraag. Verder volgt uit het arrest dat de omstandigheid dat de subsidieverplichtingen niet aan de eindontvanger van de Europese subsidie zijn meegedeeld, niet per definitie betekent dat geen sprake is van kenbare subsidieverplichtingen. Voorwaarde is wel dat het voor de ontvanger geen buitensporige last betekent om exact zijn verplichtingen te kunnen kennen.