Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.2.3:2.2.3 Van Soeverein Vorstendom tot Koninkrijk
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.2.3
2.2.3 Van Soeverein Vorstendom tot Koninkrijk
Documentgegevens:
L.A. Kjellevold Hoegee, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
L.A. Kjellevold Hoegee
- JCDI
JCDI:ADS580776:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na het herkrijgen van de onafhankelijkheid werd het centrale gezag in eerste instantie uitgeoefend door een zelfbenoemd voorlopig bewind. Prins Willem Fredrik, de zoon van de laatste stadhouder van de Republiek, werd gevraagd staatshoofd te worden. Hij aanvaardde in december 1814 als Willem I de soevereiniteit. De Grondwet van 1814 voerde officieel het erfelijke koningschap in.1 De lange periode van de republikeinse regeringsvorm kwam hiermee tot een einde. Koning Willem I, gekarakteriseerd als een verlicht despoot, stond in het centrum van de bestuursorganisatie. De vereniging van de Noordelijke met de Zuidelijke Nederlanden (het huidige Nederland en het huidige België) in 1815, resultaat van het Verdrag van Wenen, leidde tot de nieuwe Grondwet van 1815.2 Deze voerde een tweekamerstelsel in. De leden van de Tweede kamer werden getrapt gekozen, terwijl de leden van de Eerste Kamer voor het leven door de Koning werden benoemd. De vereniging van de twee ‘landen’ was van korte duur. In 1830 verklaarden de Belgen zich onafhankelijk en in 1839 werd de scheiding geformaliseerd.
De Koning stond in het centrum van de staatsmacht. Samen met de Staten-Generaal had hij de wetgevende bevoegdheid. De bevoegdheden van de Staten-Generaal waren echter beperkt. Daarnaast was de Koning bevoegd besluiten van regelgevende aard te nemen. De Raad van State had een adviserende rol bij onder andere wetsvoorstellen. De Raad adviseerde echter alleen aan de Koning, die overigens voorzitter was van de Raad, en slechts op diens verzoek. De Koning werd onder andere bijgestaan door ministers. Dit waren door hem benoemde adviseurs, die alleen aan de Koning verantwoording schuldig waren. Zij gaven tevens leiding aan het bestuursapparaat, bestaande uit een aantal (relatief kleine) departementen. Vanaf 1823 werden de ministers verenigd in de Raad van Ministers.
Ook op decentraal niveau was het centraal gezag dominant. Het koninkrijk was verdeeld in provincies en gemeenten. Met de vestiging van de eenheidsstaat verloren de provincies hun soevereiniteit. De provincies hadden alle een door de Koning benoemde Commissaris aan het hoofd. Er was een vertegenwoordigend orgaan, de staten, en een college van gedeputeerden, dat verantwoordelijk was voor het dagelijks bestuur. Elke gemeente had een raad, bestaande uit voor het leven gekozen leden en een of meerdere burgermeesters.