Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.7.2
17.7.2 Toegangverlening gebouwen en gronden
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497054:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 13.6.4 hiervoor.
Zie over de ontsleutelplicht § 9.7.2.1 hiervoor.
Zie pt. 2 van de aant. van Vetter onder de in de vorige noot genoemde uitspraak in FED 2002/307. Daarin verwijst hij onder meer naar de in r.o. 5.7 van de uitspraak van Hof Amsterdam van 24 oktober 2000, V-N 2001/6.8, beschreven ‘inval’ van een horeca-interventieteam, waarvan ook politiefunctionarissen deel uitmaakten. Daarbij werd de aanwezige medewerkers van het bedrijf verboden om contact op te nemen met de directie. Zij werden gedwongen tot het ter plekke beantwoorden van vragen, waaronder de vraag hoe hoog de omzet van de onderneming is. Het hof plaatst deze vraag buiten de context van art. 47 AWR. Ook werd de waarneming ter plaatse ‘misbruikt’ om de kasadministratie te controleren.
Zie § 14.3.2.2.2 hiervoor.
Zie § 14.3.3 hiervoor.
De verplichting tot toegangverlening in art. 50, lid 1 AWR behelst een beperkte actieve meewerkplicht.1 Hier is vooral van belang dat degene die een gebouw of grond in gebruik heeft, de inspecteur en de door hem gemandateerde personen toegang moet verlenen. Zij kunnen zich niet zelf toegang verschaffen (vgl. binnentreden ex art. 83 AWR). Toegangverlening kan tot gevolg hebben dat de inspecteur belastend materiaal op het spoor komt, zoals niet-verantwoorde bedrijfsvoorraden, ‘zwarte’ handelswaar, onbekende bedrijfsruimten met (illegale) activiteiten (vgl. hennepteelt) en valse bescheiden (vgl. een schaduwadministratie). Zo bezien kan toegangverlening resulteren in de ‘afgifte’- door toegangverlening – van materiaal. Hetzelfde mechaniek speelt bij een ontsleutelplicht van verdachten.2
Geven van aanwijzingen; inlichtingenplicht
Bovendien is de belastingplichtige op grond van art. 50, lid 4 AWR desgevraagd gehouden om de inspecteur de aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn, zoals een duiding van (de functie en inrichting van) een gebouw of grond. Deze antwoordplicht is mijns inziens typologisch verwant met het verstrekken van inlichtingen ex art. 47, lid 1, onder a AWR.3 In dit verband merk ik op dat goed voorstelbaar is dat de inspecteur in het kader van een waarneming ter plaatse (ook) om inlichtingen en gegevens ex art. 47 AWR vraagt.4 De precieze grondslag van vragen tijdens een waarneming ter plaatse zal niet steeds duidelijk zijn.5
Zodoende kan worden gezegd dat het verlenen van toegang op zichzelf niet het afleggen van een verklaring of de afgifte van materiaal behelst, maar dat art. 50 AWR wel elementen bevat die daarin kunnen resulteren. Voor zover daarvan sprake is, komen het zwijgrecht en/of het niet-meewerkrecht in beeld. De sanctie die is gesteld op de verplichting tot toegangverlening in art. 50, lid 1 AWR, is voldoende zwaar voor toepassing van dat recht, te weten een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4.920.6 Hetzelfde geldt voor de weigering om de inspecteur de aanwijzingen ex art. 50, lid 4 te geven. Die wordt bedreigd met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie (max. € 8.100) (en is bij opzet hoger).7