De exhibitieplicht
Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/15.3:15.3 De wenselijke inhoud van wetgeving
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/15.3
15.3 De wenselijke inhoud van wetgeving
Documentgegevens:
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS374664:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe die wetgeving er naar mijn oordeel uit zou moeten zien, vloeit voort uit hetgeen ik in de vorige hoofdstukken heb aangegeven. Zou het van wetgeving komen, dan zullen de huidige art. 22 en 843a en b Rv dan ook het veld moeten ruimen en vervangen moeten worden door één gelijkluidende regeling voor én de rechter én partijen. Allereerst, omdat dan in één keer een regeling kan worden getroffen die de vragen die bij de exhibitieplicht spelen zo veel mogelijk dekt. In de tweede plaats, omdat de aanspraak op bescheiden voor rechter en partijen dan op gelijke wijze geregeld kan worden zoals dat overigens ook bij de overige bewijsmiddelen het geval is. In de derde plaats omdat de nieuwe tekst dan leesbaar en hanteerbaar kan worden gemaakt en afscheid kan worden genomen van de moeilijk te doorgronden en slechts door interpreteren te begrijpen tekst van het eerste lid van art. 843a Rv.
In de aldus vast te stellen regeling kan dan voorop gesteld worden dat deze betrekking heeft op alle binnen het kader van het processuele debat relevante gegevens én kunnen tegenover de ruime reikwijdte de uitzonderingsgronden benoemd worden. Die uitzonderingsgronden zullen moeten aansluiten bij de reeds bestaande verschoningsrechten, de (beperkte) ruimte voor een gewichtige reden én bij een toetsing aan (vooral) proportionaliteit, waar ook plaats is voor afwijzen van een verzoek omdat de potentiële baten niet in reële verhouding staan tot de potentiële lasten of omdat een thema te vroeg wordt aangesneden, omdat het debat nog onvoldoende voldragen is.
Met de aanpassing van de regeling voor de exhibitieplicht kan tevens de bewijsaandraag- en substantiëringsplicht op een hoger plan gebracht worden. Dat kan gebeuren door deze verplichting die thans alleen geldt in de dagvaardingsprocedure tevens van toepassing te verklaren op verzoekschriftprocedures. Voorts, door als onderdeel van die verplichting te bepalen dat bescheiden die het eigen standpunt ondersteunen spontaan in het geding gebracht moeten worden.
Geregeld zal ook moeten worden hoe de aanspraak op bescheiden processueel tot gelding kan worden gebracht. Geen verdere regeling behoeft de mogelijkheid een incidentele vordering in te dienen. Wel behoeft een regeling de mogelijkheid om vooruitlopend of naast een procedure bij verzoekschrift bescheiden op te vragen, de mogelijkheid derden in het geding te betrekken om bescheiden te verstrekken én de verdere uitwerking van bewijsbeslag in IE-zaken en daarbuiten dat nu nog te summier is geregeld.
Met deze keuzes ontstaat een deugdelijke regeling die de exhibitieplicht thans ook in de wetgeving optilt tot het niveau van volwaardig bewijsmiddel, die de exhibitieplicht ook verdient, nu bescheiden aannemelijk de belangrijkste bewijsmiddelen zijn. De nieuwe regeling hoort dan ook thuis in de afdeling over bewijsrecht en mag dus niet meer verstopt zitten in een afdeling met faits divers aan het einde van het wetboek.