Raad zonder raadgevers?
Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/3.3.1:3.3.1 Ambtelijke bijstand en fractieondersteuning
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/3.3.1
3.3.1 Ambtelijke bijstand en fractieondersteuning
Documentgegevens:
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS582740:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 79-80
Bijvoorbeeld een amendement of een initiatiefvoorstel van het raadslid.
Zie voor een verdere uitwerking § 7.3.3.
Munneke 2006, p. 238.
Art. 169 lid 2 Gemw.: ‘Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.’
Munneke 2006, p. 240.
Kamerstukken I 2005/06, 28995, 29310, 29316, 1, p. 2.
Zie hiervoor verder § 3.4.2 en § 6.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van belang voor de positionering van het onderdeel ‘ambtelijke bijstand’ in het wetsvoorstel Wet dualisering gemeentebestuur is het hier gehanteerde uitgangspunt dat de benoeming van de secretaris door de raad geschiedt en daarmee de ambtelijke ondersteuning van de raad door de secretaris – en de door hem aangestuurde ambtelijke organisatie – plaats zal vinden en daarnaast het facultatieve karakter van de invoering van een raadsgriffie in het wetsvoorstel.
De Memorie van Toelichting gaat direct duidelijk in op het belang van een goede regeling met betrekking tot de ambtelijke bijstand:
‘Om daadwerkelijk van zijn rechten gebruik te kunnen maken en zijn verantwoordelijkheden te kunnen waarmaken, moet de raad aanspraak kunnen maken op adequate ambtelijke ondersteuning. Daarbij kan worden gedacht aan een raadsgriffie, een eigen ambtelijke organisatie die uitsluitend de raad terzijde staat onder leiding van een griffier. (...) Lang niet in alle gevallen is dit een reële mogelijkheid. Bovendien kan ook indien een raadsgriffie aanwezig is, behoefte bestaan aan de mogelijkheid een beroep te doen op gemeenteambtenaren die betrokken zijn bij collegevoorstellen, zoals ook Tweede-Kamerleden voor het opstellen van amendementen een beroep kunnen doen op departementsambtenaren.
Omdat verschillende rechten zoals het recht van initiatief en het recht van amendement, maar ook bijvoorbeeld het hierna nog te bespreken vragenrecht, aan individuele raadsleden worden toegekend, is het van belang dat in het wetsvoorstel wordt vastgelegd dat ook het individuele lid recht heeft op ambtelijke bijstand. Dit is gebeurd in het voorgestelde artikel 33. Het is aan de raad dit recht bij verordening verder uit te werken.’1
Verderop stelt de Memorie van Toelichting:
‘De Staatscommissie heeft in haar rapport betrekkelijk weinig aandacht besteed aan de positie van de ambtelijke organisatie in een op meer dualistische leest geschoeid gemeentebestuur. De meeste aandacht krijgt nog de verhouding van de secretaris ten opzichte van de raad respectievelijk het college. De positie van de secretaris wordt namelijk direct geraakt door de bewuste vergroting van de afstand tussen raad en college en de daarmee samenhangende versterking van de controlerende en volksvertegenwoordigende taak van het eerstgenoemde orgaan. Deze op zich juiste analyse van de Staatscommissie doet niet af aan de verwachting dat als gevolg van de concentratie van bestuursbevoegdheden bij het college in combinatie met de grotere afstand tussen college en raad, een krachtiger politieke aansturing van de ambtelijke organisatie door het college mogelijk wordt. Een dergelijke ontwikkeling dient positief te worden beoordeeld. Hoewel de praktijk van het lokaal bestuur met zich brengt dat veel zaken op ambtelijk niveau dienen te worden afgedaan, acht ik het wenselijk dat de politieke regie over met name de beleidsontwikkeling opnieuw inhoud krijgt.’2
De minister onderschrijft dus nadrukkelijk de impact, die het verder op afstand zetten van de gemeentesecretaris van de gemeenteraad – en het dichter bij het college van burgemeester en wethouders plaatsen van de gemeentesecretaris – zal hebben op de aansturing van de ambtelijke organisatie. Het vergroten van de afstand tussen raad en ambtenaren wordt door de minister als wenselijk beoordeeld, ofschoon hij er niet voor kiest de band tussen raad en secretaris volledig door te knippen. Zijn overwegingen hiervoor zijn eerder praktisch dan theoretisch van aard. De moeilijke positie van de secretaris wordt in de volgende passage van de Memorie van Toelichting immers duidelijk omschreven:
‘de positie van de secretaris in een door meer afstand gekenmerkte verhouding raad – college is het meest in het oog springende aandachtspunt als het gaat om het inventariseren van de gevolgen van dualisering van het gemeentebestuur voor de ambtelijke organisatie. Nu al wordt het niet altijd als gemakkelijk ervaren dat de secretaris wordt geacht zowel de raad als het college bij te staan (de zg. ‘spagaat’). In een gedualiseerd bestel waarin de raad zich onafhankelijker ten opzichte van het college zal opstellen, zal deze toch al lastige positie van de secretaris nog lastiger worden. Daarbij zijn overigens niet alleen de zuiverheid van zijn positie en de effectiviteit van zijn functioneren in het geding, maar ook de mate waarin hij – gegeven een dergelijke constellatie – kan bijdragen aan een goede ondersteuning van de raad. Aangenomen mag namelijk worden dat in gedualiseerde verhoudingen de secretaris zich, indien de belangen van de raad (of een deel van de raad, bijvoorbeeld de oppositie) en college conflicteren, nog meer dan nu al vaak het geval is, zal opstellen als eerste dienaar van het college.’3
En deze positie van de gemeentesecretaris zal er in de nieuwe situatie niet beter op worden, zo verwacht de minister:
‘Daar waar de dubbelrol in het huidige systeem theoretisch kan worden gerechtvaardigd door het feit dat de raad – althans in formeel opzicht – het algemeen bestuur van de gemeente is, komt deze legitimatie in het nieuwe stelsel te vervallen.’4
Vervolgens maakt de minister een opmerkelijke draai. Daar waar hij in zijn analyse tot nu toe zeer theoretisch en strak in de leer is gebleven, steekt ineens een grote mate van pragmatisme de kop op.
‘Strikt dogmatisch geredeneerd zou het in dat licht noodzakelijk zijn om voor alle gemeenten dwingend een eigen raadsgriffier voor te schrijven. Omdat de omvang van de ambtelijke organisatie van veel gemeenten beperkt is, is een dergelijke constructie echter niet overal reëel. Een meer pragmatische aanpak is daarom geboden, waarbij de gemeenten de ruimte krijgen om naar eigen inzicht en behoefte maatwerk te leveren. Dit betekent dat de raadsgriffier een facultatieve figuur wordt. Indien de raad echter besluit een raadsgriffier te benoemen, heeft dat consequenties voor de positie van de secretaris.’5
Hier wordt een begin gemaakt met een juridisch moeilijk verklaarbare benadering van de regelgeving over de ambtelijke ondersteuning van de raad, die door de hele parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet dualisering gemeentebestuur de rode draad zal vormen. Waar bijna alle andere onderwerpen vanuit een strakke juridische redenering benaderd worden, zal de regering de discussie over alle aspecten van de ambtelijke ondersteuning juist nadrukkelijk vanuit een praktische invalshoek benaderen, waardoor in sommige gevallen de belangen van de gemeenteraad én van het ambtelijke apparaat onvoldoende worden uitgediscussieerd en daardoor vanuit juridisch perspectief niet optimaal vastgelegd zijn.
In het oog springend is daarbij de volgende passage:
‘Van een andere orde is de ambtelijke ondersteuning van de raad. In de praktijk is het overigens maar zelden de raad die een beroep doet op ambtelijke ondersteuning, maar meestal een raadsfractie of een individueel raadslid. Veelal betreft het eenvoudige verzoeken om feitelijke informatie. In de meeste gemeenten worden dergelijke verzoeken direct, dus zonder tussenkomst van de secretaris, gericht aan de behandelende ambtenaar. Deze zal ofwel zelfstandig antwoorden, ofwel – indien het om een politiek gevoelige zaak gaat – eerst toestemming aan de secretaris vragen. De laatste op zijn beurt neemt vervolgens zelfstandig een beslissing over het verstrekken van de informatie. Tot slot stelt de secretaris hiervan het college (in de praktijk wellicht de portefeuillehouder) in kennis. Het is echter ook denkbaar dat hij voordat hij een besluit neemt, overlegt met het college of de betrokken portefeuillehouder. Denkbaar is het dan ook dat deze consultatie ertoe leidt dat de gevraagde informatie niet of slechts gedeeltelijk wordt verstrekt.’6
In feite zegt de minister dus dat bij verzoeken om ambtelijke bijstand de praktijk altijd wel een gepaste oplossing weet aan te dragen. Dat kan zijn via tussenkomst van de secretaris, maar net zo goed rechtstreeks tussen raadslid en ambtenaar. De minister gaat er voetstoots vanuit dat de ambtenaar feilloos weet in te schatten wanneer het een politieke kwestie is en dan altijd de secretaris om toestemming zal vragen. Deze kan dan zelfstandig een beslissing nemen over het al dan niet verlenen van de ambtelijke bijstand. Of hij overlegt het met het college. Of de portefeuillehouder. En dan wordt de informatie verstrekt. Of slechts gedeeltelijk. Of niet.
Opmerkelijk is ook dat de minister hier – en ook vele malen later in het wetgevingsproces – het onderscheid tussen het informatierecht uit de artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet verwart met het recht op ambtelijke bijstand. Toch bestaat tussen beide een fundamenteel verschil: waar ambtelijke bijstand betrekking heeft op een beleidsinitiatief7 van het raadslid (of de raadsleden), gaat het recht op informatie over beleidsinitiatieven en de daaruit voortkomende informatie van het college. Een raadslid kan slechts vragen ex de artikelen 169 of 180 van de Gemeentewet stellen of informatie krachtens deze artikelen verwachten over reeds bestaand of bekend beleid van het college van burgemeester en wethouders. Ambtelijke bijstand gaat uit van een nieuw beleidsidee van het raadslid, waar dus ook sprake kan zijn – en in de praktijk vaak zal zijn – van beleid, dat afwijkt van het beleid van het college van burgemeester en wethouders. Voor de ambtenaar, die de informatie dan wel de bijstand moet verstrekken of verlenen, vereist dit een totaal andere benadering. Alleen bij de ambtelijke bijstand mag immers van hem verwacht worden dat hij ook beleidsmatig de vragende partij adviseert. Bij het verstrekken van de informatie conform de artikelen 169 c.q. 180 van de Gemeentewet dient de ambtenaar zich te beperken tot de beschikbare feiten.8
Munneke gaat in zijn dissertatie uitgebreid in op de in de Wet dualisering gemeentebestuur voorgestelde versteviging van de inlichtingenpositie van de gemeenteraad:
‘Doel van de dualiseringsoperatie was onder meer een versterking van de controlerende positie van de raad. Met het oog daarop werd een aantal inlichtingenrechten in de wet opgenomen, die daarin voorheen ontbraken. Zo werd de klassieke bepaling over de inlichtingenplicht van college en burgemeester (resp. Artikel 169 en 180 Gemeentewet) uitgebreid met een artikel waarin het inlichtingenrecht was geregeld, onderscheiden naar vragenrecht en interpellatierecht (artikel 155 Gemeentewet). Daarnaast werd de passieve inlichtingenplicht aangevuld met een actieve inlichtingenplicht, de verplichting om uit eigen beweging voor de raad relevante informatie aan de raad mee te delen.’9
Het afbakenen van de strekking van dit informatierecht is bijzonder moeilijk. De bepaling uit het tweede lid van artikel 169 van de Gemeentewet10 is immers veelomvattend. Munneke zegt hierover:
‘De raad heeft verschillende taken; in het gedualiseerde bestel heeft de raad kaderstellende, controlerende en volksvertegenwoordigende taken. Wanneer naar de bevoegdheden van de raad ter uitoefening van zijn taken wordt gekeken, valt naast de controlerende bevoegdheden te wijzen op de verordenende bevoegdheid, de algemene bestuursbevoegdheid en de budgettaire bevoegdheid van de raad. Het scala aan taken en bevoegdheden maakt duidelijk dat alle informatie waarover het college beschikt, wel op de een of andere wijze onder het criterium “nodig voor de uitoefening van zijn taak” zou kunnen worden gevat en dus actief zou moeten worden verstrekt. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het criterium mist dan ook voldoende scherpte om de actieve inlichtingenplicht helder af te bakenen.’11
De minister voor Bestuurlijke vernieuwing en koninkrijksrelaties Pechtold probeert in een brief aan de Eerste Kamer enige nuance aan te brengen:
‘De controlefunctie van het algemeen vertegenwoordigend orgaan, i.c de raad, staat of valt met de kwaliteit van de informatie waarover zij beschikt. Daarvoor is het vertegenwoordigend orgaan echter afhankelijk, zij het niet volledig, van de informatievoorziening door het college. Het vastleggen van de actieve informatieplicht betekent dat het college de raad in de positie moet brengen om zijn controlerende taak uit te oefenen en zich nooit kan beroepen op de omstandigheid dat de raad bepaalde informatie niet heeft gevraagd. Het schenden van deze zorgplicht kan derhalve (terecht) grote politieke consequenties hebben. Uit het voorgaande volgt dat het in eerste instantie aan het college is om de raad op een zodanige wijze te informeren dat de raad zich een goed oordeel kan vormen over het door het college voorgenomen of gevoerde bestuur. Het college moet de raad de informatie verstrekken die “de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft”. Er staat uitdrukkelijk niet “die de raad nodig acht”. Het college moet een goede taakvervulling door de raad dus als uitgangspunt hanteren bij de informatieverstrekking. Heeft de raad moeite met de wijze waarop het college aan zijn informatieplicht voldoet, dan zal de raad het college daarop moeten aanspreken om werkwijzen en procedures te bewerkstelligen die aan zijn wensen en behoeften tegemoet komen.’12
De minister maakt in de Memorie van toelichting overigens wel zijn visie duidelijk op de trits, die het raadslid moet voorzien van adequate inhoudelijke (ambtelijke) ondersteuning.
‘Enerzijds moet hij de beschikking hebben over de nodige op deze functies toegesneden bevoegdheden, anderzijds dienen ook bepaalde meer materiële faciliteiten aanwezig te zijn. Daarbij gaat het onder andere om adequate ondersteuning. Voor een deel betreft het hier de reguliere fractie-assistentie, waarvoor tal van gemeenten eigen regelingen hebben getroffen. Er is geen aanleiding om ten aanzien van deze voorziening regels in de Gemeentewet op te nemen. De huidige veelvormige praktijk laat namelijk zien dat er een grote behoefte aan maatwerk is. Bovendien zijn raadsfracties als zodanig, en daarmee ook fractie-ondersteuning, niet in de Gemeentewet of in enige andere wet geregeld.’13
Naast de wettelijke bevoegdheden, moet het raadslid – rechtstreeks of via zijn fractie – kunnen beschikken over inhoudelijke ondersteuning. Pas daarna komt de reguliere ambtelijke organisatie in het vizier.
Ook hier weer een vreemde redenering om geen voorschriften over deze fractieondersteuning in de Gemeentewet op te nemen. Omdat er behoefte is aan maatwerk, is er geen aanleiding om dit in de wet te regelen, zo zegt de minister. Later zal dit recht op fractieondersteuning bij amendement in de uiteindelijke wet terecht komen, waarbij de nadruk van inhoudelijke bijstand verschoven is naar financiële bijstand voor de in de raad vertegenwoordigde groeperingen. Dit zal later nog tot veel discussie en onduidelijkheid gaan leiden.14
Ondanks alle mitsen en maren acht de minister het – in navolging van de staatscommissie Dualisme en lokale democratie – geboden om artikel 33 Gemeentewet zodanig aan te passen dat er een recht op ambtelijke bijstand wordt geïntroduceerd met daaraan verbonden de opdracht aan de raad om een verordening vast te stellen, die de uitvoering hiervan regelt.