Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/23.2
23.2 Welke eisen vloeien voort uit het equality of arms vereiste onder artikel 6 EVRM?
prof. mr. T. Barkhuysen, mr. dr. M.L. van Emmerik, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. T. Barkhuysen, mr. dr. M.L. van Emmerik
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik, Europese grondrechten en het Nederlandse bestuursrecht. De betekenis van het EVRM en het EU-Grondrechtenhandvest, Deventer: Wolters Kluwer 2017, met nadere verwijzingen.
EHRM 19 juli 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:0719JUD001750690, Series A vol. 322 (Kerojärvi/Finland); vgl. EHRM 20 juli 2011, ECLI:CE:ECHR:2010:0720JUD 000490006, AB 2011/132, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (A./Nederland).
EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, AB 2016/132, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik, JB 2016/86, m.nt. Timmermans (Gillissen/Nederland).
EHRM 8 oktober 2015 , ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD00772121, AB 2016/167, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik, RSV 2016/27, m.nt. Faas (Korošec/Slovenië). Zie nader B.J. van Ettekoven, ‘De betekenis van de uitspraak Korošec tegen Slovenië voor het Nederlandse bestuursrecht’, O&A 2016/29; zie eerder o.m. EHRM 18 maart 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0318JUD002149793, NJ 1998/278, m.nt. Snijders (Mantovanelli/Frankrijk) en EHRM 5 juli 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0705JUD003193004, AB 2009/319, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Sara Lind/IJsland).
EHRM 15 februari 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:0215JUD006841601, EHRC 2005/37, m.nt. Gerards (Steel & Morris/Verenigd Koninkrijk).
ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3547, AB 2015/69, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik. Daarbij valt op dat de Afdeling ambtshalve onderzoekt of de gewraakte procesbeslissing van de rechtbank het beginsel van equality of arms schendt.
In het kader van deze bijdrage voert het te ver uitgebreid in te gaan op de equality of arms eisen die voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces, zoals beschermd door artikel 6 EVRM.1 Uit dit recht op een eerlijk proces leidt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (verder EHRM of Hof) diverse procedurele garanties af die samenhangen met het beginsel van equality of arms, het recht voor de in de (bestuurs)rechtelijke procedure betrokken burger om met ‘dezelfde wapenen’ als de overheid te kunnen procederen, bijvoorbeeld als het gaat om de verstrekking van processtukken of de gelijke toegang tot geheime informatie.2 Verder volgt uit het recht op een eerlijk proces dat de (bestuurs)rechter afdoende motiveert waarom er geen aanleiding bestaat getuigen te horen. Ook moeten (bestuurs)rechters zich actief opstellen als het gaat om het oproepen van getuigen die mogelijk licht kunnen doen schijnen op voor de beslechting van het geschil in kwestie cruciale feiten. De bestuursrechter kan zich dan niet alleen verschuilen achter de vraag of partijen zelf getuigen hebben opgeroepen of meegebracht naar de zitting.3 Daarnaast heeft het EHRM uitgemaakt dat in geval van door een bestuursorgaan of door een rechter ingewonnen deskundigenadvies dat een overwegende invloed heeft op de uitkomst van een rechterlijke procedure, de betreffende deskundigen voldoende neutraal moeten zijn, wil de rechter daarop – in beslissende mate – mogen varen. Bij een gebrek aan neutraliteit van een door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige kan de rechter daarop niet zonder meer afgaan. Hij moet dan op andere wijze proberen het evenwicht tussen partijen te herstellen. Dit kan, bijvoorbeeld, door de betrokkene in staat te stellen zelf met deskundig tegenbewijs te komen of – wanneer dat (om financiële redenen) niet mogelijk blijkt door zelf een deskundige in te schakelen. Gebeurt dat niet, dan wordt in strijd met het vereiste van equality of arms gehandeld. Wanneer een door de rechter ingeschakelde deskundige onder deze omstandigheden onvoldoende neutraal is, is er eveneens sprake van een schending van dit vereiste en wordt bovendien aangenomen dat daarmee ook de rechter zelf ‘besmet’ raakt en niet meer wordt voldaan aan het vereiste van onpartijdigheid van artikel 6 EVRM.4 Ten slotte kan het niet voorzien in kosteloze rechtsbijstand onder omstandigheden ook in strijd komen met het beginsel van equality of arms.5
Nu artikel 6 EVRM niet op alle geschillen van toepassing is, is het van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak het beginsel van equality of arms tot algemeen aan artikel 6 EVRM ten grondslag liggend rechtsbeginsel heeft bestempeld. Daardoor zijn de desbetreffende eisen over de hele linie van het bestuursrecht van toepassing, zij het dat daarmee strijdige formele wetgeving niet op basis van dat beginsel opzij kan worden gezet.6