Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/4.3.1.2
4.3.1.2 Het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715440:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bouloc 2017, p. 26; De Jong 2016, p. 12; De Roos 1987, p. 62 en 62; Pompe 1959, p. 10-11. Het liberale perspectief kan deze kenmerken niet goed verklaren. De overheid moet vanuit liberaal oogpunt haar burgers wellicht bijstaan met opsporing en rechtsbijstand, maar kan de vervolging overlaten aan individuele slachtoffers. Zie Marshall & Duff 1998, p. 10-11. Overigens gaat dit argument steeds minder sterk op, nu de grenzen tussen rechtsgebieden, onder meer door de toegenomen aandacht voor het slachtoffer in het strafproces en de opkomst van het bestuurlijk sanctierecht, steeds minder helder worden. Zie ook: Corstens 1984, p. 23; Report on Decriminalisation 1980, p. 38; Williams 1955, p. 121-122.
Buisman 2020, p. 67; Marshall & Duff 1998, p. 11, 12 en 15; Groenhuijsen 1986, p. 105-106; Christie 1977, p. 3; Smidt 1891b, p. 283. Vgl. ook: Spek 2010, p. 225. Hoewel de gemeenschap door middel van het privaatrecht wel middelen en instituties biedt om het conflict op te lossen, blijven procesrechtelijke beslissingen in het privaatrecht aan de benadeelde partij (Marshall & Duff 1998, p. 15). Overigens zien we in het strafrecht ook wel nuanceringen van dit uitgangspunt, bijvoorbeeld in de vorm van klachtdelicten, de opkomst van de rol van het slachtoffer (met bijvoorbeeld de schadevergoedingsregeling) en de procedure van artikel 12 Sv. De beperkte rol van slachtoffer is overigens ook wel te begrijpen vanuit de liberale wens emoties buiten het strafproces te houden. In een meer communitaristisch strafrecht is daar meer ruimte voor (vgl. Barendrecht 2002a, p. 1729).
Het gaat in het strafrecht dan niet om conflictbeslechting (Enschedé 1979, p. 53). Het privaatrecht biedt het slachtoffer reeds een schadevergoedingsmogelijkheid, maar daarnaast heeft de dader ook de samenleving geschaad (Remmelink 1968, p. 122; zie ook: Enschedé 1979, p. 52-53). Zie ook: Christie 1977, p. 3 en 12.
Marshall & Duff 1998, p. 11, 16 en 20. Vgl. Van Dyk 1954, p. 15.
Enschedé 1979, p. 52-53. Vgl. De Jong 2016, p. 6-7. Van het individuele slachtoffer kan niet worden verwacht dat het procedeert in het algemeen belang, bijvoorbeeld dat van preventie (Marshall & Duff 1998, p. 16). Dat is aan een openbaar aanklager. Zie ook: Husak 2004, p. 221. In Angelsaksische jurisdicties wordt de vertegenwoordiging van de samenleving overigens mooi geïllustreerd door de namen van strafzaken, die steeds worden gevormd door de vertegenwoordiging of belichaming van de samenleving (“the State”, “the People”, “the Commonwealth”, “the Crown” of “Regina”) versus de verdachte (Marshall & Duff 1998, p. 11; Kleinig 1986, p. 6).
Marshall & Duff 1998, p. 7 en 18. Vgl. Groenhuijsen 1986, p. 111-112.
De Hullu 2021, p. 18; Van Bemmelen 1973, p. 8-9; Van Dyk 1954, p. 15-16; Pompe 1945, p. 53; Van Hamel 1927, p. 175-176.
Schmidt 1891b, p. 291. Zie ook: De Hullu 2021, p. 18.
Zie §3.3.3.
Marshall & Duff 1998, p. 12; Van Dyk 1954, p. 16; Protocol AAFD, Stcrt. 2015, 17271, p. 2-3. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom verdachten met een voorbeeldfunctie eerder strafrechtelijk worden vervolgd dan verdachten zonder voorbeeldfunctie en waarom het strafrecht eerder wordt ingezet als er meerdere feiten tegelijk (Stcrt. 2016, 12609, p. 2; Protocol AAFD, Stcrt. 2015, 17271, p. 3) of in organisatorisch verband (Stcrt. 2016, 12609, p. 3) zijn gepleegd. Zie bijvoorbeeld ook: artikel 67a lid 2 sub 1 Sv.
Zie ook: De Jong 2021, p. 692.
Marshall & Duff 1998, p. 19; Feinberg 1990, p. 35. Zie ook: De Jong 2016, p. 33; Crombag 1981, p. 40. Dat geldt in het bijzonder als, zoals Feinberg zegt, die andere vrouwen zich daardoor minder vrij voelen om over straat te gaan.
Marshall & Duff 1998, p. 14.
Marshall & Duff 1998, p. 11. Marshall en Duff stellen zelf overigens vooral een balans tussen puur individualisme en puur collectivisme te willen vinden (Marshall & Duff 1998, p. 8).
De idee dat het strafrecht uiteindelijk de belangen van de samenleving als geheel behartigt, sluit goed aan bij veel kenmerken van het strafproces.1 Anders dan in andere rechtsgebieden ligt in het strafrecht de controle over het strafproces (inclusief de opsporing) bijvoorbeeld in handen van gemeenschapsorganen en blijven de positie en wensen van het individuele slachtoffer historisch onderbelicht, zoals ook wordt geïllustreerd doordat de opbrengst van een strafrechtelijke geldboete niet aan het slachtoffer maar aan de staat toekomt.2 Vanuit communitaristisch perspectief is een strafrechtelijk conflict dan ook primair een conflict tussen de dader en de samenleving.3 Het is dan evident waarom het de staat is die vervolgt; het gaat immers om een conflict dat het individuele slachtoffer overstijgt.4 Het strafrecht treedt daarom uit naam van de samenleving op tegen de dader.5
De vraag rijst vervolgens waarom een samenleving bepaalde conflicten naar zich toetrekt en andere niet.6 Vanuit communitaristisch oogpunt wordt die vraag vaak omgekeerd: wat als de samenleving het conflict niet naar zich toetrekt? Als de samenleving dan tot eigenrichting zou overgaan, kan de gedraging beter strafbaar worden gesteld.7 De wens om het strafrecht in te zetten, zit dan kennelijk te diep om hem te negeren. In vergelijkbare zin stelde minister Modderman in 1886 met tegenzin overspel strafbaar om zo “den algemeenen zedenlijken indruk” van het Wetboek overeind te houden; de inhoud van het wetboek moest zo in lijn blijven met de “publieke concientie”.8 De mate van wederrechtelijkheid speelt zodoende ook in een communitaristisch strafrecht mee; in die zin dat het strafrecht zich primair richt op gedragingen die volgens de heersende opvattingen dermate immoreel zijn of dermate veel onrust veroorzaken dat het niet sanctioneren van de gedraging tot maatschappelijke onrust zou leiden (zie ook §3.3.3).9 Het strafrecht richt zich daarom op gedragingen die een bepaalde maatschappelijke impact hebben, onrust veroorzaken, de rechtsorde schokken of de sociale orde bedreigen of schaden.10 Maar ook als geen eigenrichting dreigt, kan een samenleving bepaalde gedragingen strafwaardig vinden. Marshall en Duff wijzen in dat kader op het belang van de identificatie door de samenleving met het slachtoffer.11 Zo kan de verkrachting van één vrouw bijvoorbeeld ook worden gezien als een aanval op andere vrouwen en de rest van de samenleving.12 Een collectieve veroordeling zou dan bovendien de relatie (en identificatie) tussen de leden van de samenleving versterken.13 Tevens kan zo worden volgehouden dat het strafrecht zich primair richt op de bescherming van collectieve rechtsgoederen.14 Dat sluit goed aan op het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht.