Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.6
2.6 Geldige titel
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706260:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/272; Hijma & Olthof 2020/110; Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2019/113; Snijders/Rank-Berenschot 2017/314.
De algemene bankvoorwaarden zijn te raadplegen via www.nvb.nl onder publicaties.
HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, r.o. 4.2 (ING/Muller q.q.).
Een generieke verbintenis is voldoende bepaalbaar en geldig, zie Asser/Sieburgh 6-I 2020/156; Asser/Sieburgh 6-III 2022/286.
HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, r.o. 4.3 (ING/Muller q.q.).
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 737 (MvA).
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/275; Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/28; Pilto/Reehuis & Heisterkamp 2019/114; Snijders & Rank-Berenschot 2017/320.
De vaststelling of sprake is van nietigheid of vernietigbaarheid is niet eenvoudig. Zie hierover Asser/Sieburgh 6-III 2018/310 e.v.
Het artikel beoogt ontduiking van het inkoopverbod uit art. 2:98 BW door inpandneming en berust overigens op een onjuiste denkwijze. Het gaat bij verpanding immers niet om de verkrijging van aandelen. In gelijke zin Van Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/40; Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/432; Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:89a BW, aant. 2.1 (actueel t/m 13-12-2021); Hamers 1996, p. 21 e.v.
Vgl. Steneker 2022/2.19; Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/432 en Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:89a BW, aant. 2.1 (actueel t/m 13-12-2021). Deze auteurs achten in algemene bewoordingen de inpandneming ‘ongeldig’. Hamers 1996, p. 22-23 acht de verpanding als geheel nietig. De restrictie geldt overigens niet voor banken die in de gewone bedrijfsuitoefening eigen aandelen in pand nemen (art. 2:89a lid 2 BW).
32. De vestiging van een pandrecht vereist een geldige titel (art. 3:84 lid 1 BW). De titel van verpanding is de rechtsverhouding die de vestiging rechtvaardigt.1 Bij aandelenverpanding zal dit vaak de contractuele verplichting zijn tot vestiging van het pandrecht. Deze verplichting maakt doorgaans deel uit van een financieringsovereenkomst. Als het gaat om een kredietovereenkomst met een bank, dan is zij bijvoorbeeld neergelegd in artikel 26 lid 1 van de Algemene Bankvoorwaarden 2017.2 Een ander voorbeeld van een geldige titel voor verpanding is de wettelijke verplichting tot het stellen van zekerheid, bijvoorbeeld op grond van artikel 3:206 BW, 37 lid 2 Fw of 224 Rv.
Bij de vaststelling of de titel van verpanding de vestiging rechtvaardigt, speelt uitleg een rol, waarbij in het geval van een titel die voortvloeit uit een overeenkomst de Haviltex-maatstaf geldt.3 Dat betekent dat het zal aankomen op welke betekenis de pandgever en de pandhouder, gelet op de omstandigheden van het geval, aan de tekst gaven, en wat ze op dat punt over en weer van elkaar mochten verwachten. Het is daarbij niet per se nodig dat de verplichting uitdrukkelijk ziet op de verpanding van aandelen. Ook een algemene verplichting tot het stellen van zekerheid kan mijns inziens voldoende zijn.4 Voor welke vordering(en) het pandrecht moet worden gevestigd, is vervolgens ook een kwestie van uitleg waarbij de Haviltex-maatstaf geldt. Daarbij geldt als ondergrens dat deze vordering voldoende bepaalbaar is in de zin van artikel 3:231 lid 2 BW.5 Daaraan is voldaan als de vordering waarvoor het pandrecht wordt gevestigd, naderhand kan worden vastgesteld.6 Dat kan bijvoorbeeld aan de hand van de pandakte, die de titel moet vermelden (art. 2:86/196 lid 2 onderdeel a BW).
Deze lossere benadering van verpanding wijkt af van de eisen die de wet stelt aan de vestiging van een hypotheekrecht. Anders dan de notariële akte van aandelenverpanding, moet de notariële akte bij verhypothekering een aanduiding bevatten van de vordering waarvoor het zekerheidsrecht tot waarborg strekt, of van de feiten aan de hand waarvan dat kan worden bepaald (art. 3:260 lid 1 tweede zin BW).
33. De titel bij verpanding moet een geldige titel zijn. Blijkt de overeenkomst die de titel bevat nietig of wordt deze achteraf vernietigd, dan is er in beginsel niet voldaan aan het titelvereiste en blijft de vestiging van het pandrecht op de aandelen zonder effect.7 Enkele voorbeelden van ‘ongeldige’ titels in het algemeen zijn afspraken in strijd met een dwingende wetsbepaling, de goede zeden of de openbare orde (art. 3:40 BW).8 Denk verder aan de gevallen waarin sprake is van bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW), schuldeisersbenadeling (art. 3:45 BW, 42 of 47 Fw) of dwaling (art. 6:228 BW). In al die gevallen is er geen pandrecht tot stand gekomen, ook al is er van de verpanding een notariële akte opgemaakt die een titel vermeldt.
Een voor nv-aandelen specifiek geval volgt uit artikel 2:89a lid 1 BW. Op grond daarvan kan een nv haar eigen aandelen slechts in pand nemen indien (i) de aandelen zijn volgestort, (ii) het nominale bedrag van de in pand te nemen en de reeds gehouden of in pand gehouden eigen aandelen en certificaten daarvan tezamen niet meer dan een tiende van het geplaatste kapitaal bedraagt en (iii) de algemene vergadering de pandovereenkomst heeft goedgekeurd.9 Wanneer de beoogd pandgever in strijd met dit verbod met de vennootschap overeenkomt om zijn aandelen te verpanden, is mijns inziens sprake van een nietige overeenkomst wegens strijd met een dwingende wetsbepaling in de zin van artikel 3:40 BW. Het verbod uit artikel 2:89a BW heeft namelijk een dwingend karakter (art. 2:25 BW). Het pandrecht komt dan mijns inziens niet tot stand als gevolg van een titelgebrek.10