Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.2
2.2 Historisch perspectief
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706279:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Kat 1921, p. 255; Meilink 1898, p. 76-77.
De Kat 1921, p. 283.
Dit had te maken met de moeilijkheden rondom uitwinning (§5.2).
Molengraaff/Star Busmann & Zevenbergen 1953, p. 248.
Zie Parl. Gesch. BW Boek 2, p. 627 (nr. 5) en p. 631 (nr. 19).
Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 6 (MvT).
Wet van 8 april 1976 (Stb. 229).
Zie hierover uitvoerig o.a. Ter Huurne 1994 en Van Olffen en Zaman 1994. Zie hierover beknopt Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/367.
Zie Kamerstukken II 1991/92, 21 155, nr. 17, p. 3-5. De indieners betoogden dat zij met hun voorstel aansluiting zochten bij ideeën die leefden in het parlement, aldus Ten Huurne 1994, p. 160. Hun onderbouwing sloot grotendeels aan bij de standpunten die de KNB voordien naar voren had gebracht, waarover Ter Huurne 1994, p. 155-156.
Ter Huurne 1994, p. 160.
Zie Kamerstukken II 1991/92, 21 155, nr. 17, p. 4-5.
Zie Ter Huurne 1994, p. 155-158.
Zie Kamerstukken I 1991/92, 21 155, nr. 211b, p. 3-4 (MvA). In de Memorie van Toelichting, voorafgaand aan het amendement, plaatste ook de minister de notariële tussenkomst tegen de achtergrond van fraudebestrijding, zie Kamerstukken II 1988/89, 21 155, nr. 3, p. 3 (MvT).
18. Aandelenverpanding kwam een lange tijd maar weinig voor.1 Aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw werden niet-beursgenoteerde aandelen een ‘weinig begeerlijk’ zekerheidsobject gevonden.2 Deze onaantrekkelijkheid was echter niet het gevolg van ingewikkelde vestigingsformaliteiten.3 Aandelen werden destijds op dezelfde manier verpand als vorderingen, toen nog inschulden geheten.4 De wet vereiste een pandovereenkomst en kennisgeving van de verpanding aan de persoon tegen wie het recht kon worden uitgeoefend (art. 1199 BW (oud)). Bij aandelen was de persoon aan wie mededeling moest worden gedaan de vennootschap waarvan de aandelen werden verpand. Uit de wet volgde dat de mededeling kon blijken uit de betekening van de pandakte aan haar, of door haar erkenning van de verpanding.5 De statuten van de vennootschap mochten daarvan afwijken en een andere (leverings- en) vestigingswijze bepalen.6 Na 1928 kreeg de regeling van aandelenlevering een dwingend karakter en was voor een geldig pandrecht steeds vereist dat de akte aan de vennootschap werd betekend of dat de verpanding door haar werd erkend.7
Hiervoor schreef ik dat aandelen op naam op dezelfde manier werden verpand als inschulden, maar daarop bestond één uitzondering. Artikel 48d en 58c WvK (oud) regelden de vestiging van het zogenoemde bestuurspand. Dat was een pandrecht van de vennootschap op niet-volgestorte aandelen van een bestuurder of commissaris ter zekerheid van de nakoming van zijn verplichtingen. De wet vereiste daarvoor ‘eene daartoe strekkende aanteekening in het register van aandeelhouders en gelijke bewaargeving onder een derde van de bij deze aandelen behoorende dividendbewijzen, zoo deze aan toonder luiden.’ Ondanks dat de regeling in 1960 nog is verplaatst naar Boek 2 BW,8 vond de minister haar amper veertien jaar later onvolledig, ongelukkig, en overbodig.9 In 1976 zijn deze artikelen vervallen en is de regeling niet meer teruggekeerd.10
19. Sinds 1992 zijn de voorschriften voor de (levering en) verpanding van aandelen ingrijpend gewijzigd. Tegenwoordig is er een notariële akte nodig. De betekening van de akte of de erkenning van de verpanding is bovendien geen constitutief vereiste meer. Ook zonder dat kan een pandrecht op aandelen tot stand komen. Aan dit resultaat is een lange en veelbeschreven discussie voorafgegaan.11
De achtergrond van het voorschrift dat de verpanding van aandelen slechts bij notariële akte kan plaatsvinden, is een kameramendement. Hoewel het de indieners daarbij in de eerste plaats ging om de levering van aandelen, doen hun argumenten grotendeels ook opgeld bij de verpanding van aandelen. Zij betoogden dat de verplichte tussenkomst van een notaris nodig was met het oog op rechtszekerheid, fraudebestrijding en eenheid van wetgeving binnen Europa.12 Vooral de laatste twee thema’s stonden toentertijd in de belangstelling van de politiek.13 De tussenkomst van een notaris bij de overdracht van aandelen zou potentiële fraudeurs ontmoedigen en ontmaskeren, en bovendien aansluiten bij de wetgeving in de rest van het Europese continent.14 Minder in de belangstelling stond de rechtszekerheid, die met de verplichte tussenkomst van een notaris zou worden gediend. Dat de rechtsonzekerheid bij aandelenoverdracht in de praktijk een probleem was, werd destijds vooral door de KNB naar voren gebracht.15 Later, nadat het amendement door de Tweede Kamer was aangenomen, heeft de staatsecretaris de notariële tussenkomst met name geplaatst tegen de achtergrond van fraudebestrijding.16
De achtergrond van de tweede belangrijke wijziging – het laten vervallen van de eis van betekening of erkenning na de (levering en) verpanding – moet worden geplaatst tegen de achtergrond van de invoering van artikel 2:86a/196a BW. Daaruit volgt dat de (verkrijger en) pandhouder de rechten waaruit zijn aandeel bestaat, zoals stemrecht of dividendrecht, in beginsel pas kan uitoefenen als de vennootschap de verpanding heeft erkend of de pandakte aan haar is betekend. Hoewel de (levering en) verpanding dus ook is afgerond zonder dat de vennootschap daarvan kennis draagt – en dus ook tegenover haar goederenrechtelijke werking heeft – zijn bepaalde vennootschapsrechtelijke rechtsgevolgen die de verpanding heeft, uitgesteld (§2.9).
Aanvankelijk werd er door de regering een relatieve werking van aandelenlevering en -verpanding voorgesteld. Deze zou na het passeren van de notariële akte werken tegenover iedereen behalve de vennootschap. Tegenover haar zou de (overdracht of) verpanding pas geldig zijn vanaf het moment van plaatsvinden van de erkenning of betekening (vgl. art. 3:94 lid 3 BW). Na stevige kritiek hierop uit de juridische literatuur en van het parlement, heeft de minister besloten om de invoering van dit deel van de regeling uit te stellen. Uiteindelijk heeft de wetgever er dus voor gekozen om de levering en verpanding absolute werking toe te kennen – en daarmee ook tegenover de vennootschap – maar de uitoefening van bepaalde vennootschapsrechtelijke rechten pas mogelijk te maken na erkenning door haar of na betekening aan haar.17