Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.4.2
10.4.2 Betekenis van toerekening en onderscheid met art. 6:98, 6:162 lid 3 en 6:170-172 BW
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS346077:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuterschool Babbel).
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/86 stelt dat van het gevaar van deze verwarring weinig te duchten is. Uit Hoekzema 2015, GS Onrechtmatige daad, aant. VIII.7.1.1.5, waarin onder verwijzing naar art. 6:162 lid 3 BW wordt gesteld dat een onrechtmatige daad de overheid in beginsel op grond van verkeersopvattingen wordt toegerekend, blijkt echter dat die verwarring wel kan ontstaan. Zie ook: De Valk 2009, p. 51 en de daarin genoemde bronnen.
HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. C.J.H. Brunner en G.J.M. Corstens (Staat en Van Hilten/M).
Met de term ‘toerekening’ wordt allereerst bedoeld het toerekenen van (rechts) handelingen aan de rechtspersoon op grond van de wettelijke regels van vertegenwoordiging, waardoor de rechtspersoon verbintenissen kan aangaan (par. 10.4.6). Met de term ‘toerekening’ wordt voorts bedoeld dat gedragingen en wetenschap van de ene persoon hebben te gelden als gedragingen en wetenschap van de andere (rechts)persoon, zoals onder meer is bedoeld in het hierna te bespreken arrest Kleuterschool Babbel.1 Doordát een (rechts)handeling of wetenschap kan worden toegerekend aan een ander, wordt deze (ook) een dader van een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 lid 1 BW of een contractspartij in de zin van Titel 5 van boek 6 BW. Het betreft met andere woorden een daderschapsvraag en/of een partijvraag: wie is de dader? Wie is de partij?
Deze ‘toerekening’ moet niet verward worden met de toerekening van de onrechtmatige daad aan de dader in de zin van art. 6:162 lid 3 BW of de toerekening van schade in de zin van art. 6:98 BW.2 Toerekening als bedoeld in art. 6:162 lid 3 BW ziet uitsluitend op de vraag of de onrechtmatige daad van de dader in de zin van art. 6:162 lid 1 BW aan de dader kan worden toegerekend omdat deze is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens wet of verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. Wie de dader is staat daarmee reeds vast en het gaat alleen nog maar om de vraag of de dader een verwijt treft. Toerekening in deze zin betreft met andere woorden de verwijtbaarheidsvraag.
Uit het in par. 10.3 aangehaalde arrest Staat en Van Hilten/M3 blijkt voormeld onderscheid helder. De Hoge Raad overwoog daarin:
“In het oordeel (…) dat de Staat gehouden is de door de onrechtmatige gedraging van mr. Van Hilten geleden schade te vergoeden, ligt besloten dat (…) deze gedraging als een onrechtmatige daad van de Staat heeft te gelden en ook aan de Staat kan worden toegerekend” (onderstreping toegevoegd).
Duidelijk is dat de Hoge Raad hier eerst de daderschapsvraag beantwoordde (heeft de feitelijke gedraging als een onrechtmatige daad van de Staat te gelden?) en vervolgens de verwijtbaarheidsvraag (kan de onrechtmatige daad aan de Staat worden toegerekend?).
Tot slot is van belang het onderscheid te maken tussen toerekening en kwalitatieve aansprakelijkheid op grond van artt. 6:170-172 BW. Bij kwalitatieve aansprakelijkheid is – per definitie – vereist dat de werknemer, niet-ondergeschikte of vertegenwoordiger persoonlijk handelt in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. Hij moet persoonlijk ex art. 6:162 BW onrechtmatig hebben gehandeld en er moet sprake zijn van schuld. Als hij zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond of rechtvaardigingsgrond, dan is de rechtspersoon niet aansprakelijk op grond van de artt. 6:170-172 BW. Anders gezegd, de artt. 6:170-172 BW vinden dan geen toepassing. Dit kan, zoals hierna in par. 10.4.5 uiteengezet, leiden tot een onwenselijke situatie. Een feitelijke handeling van een werknemer, niet-ondergeschikte, vertegenwoordiger en/of bestuurder kan weliswaar niet persoonlijk verwijtbaar zijn, het kan nog wel steeds tot schade leiden bij een derde. Mede gelet op de (gezamenlijke individueel niet verwijtbare) handelingen en/of (geobjectiveerde) kennis van andere betrokkenen bij de rechtspersoon, kan het redelijk zijn dat deze schade in de verhouding tussen die derde en de (rechts)persoon namens wie is gehandeld, voor rekening van die rechtspersoon komt. De toerekeningsleer schiet de derde dan te hulp, zoals hierna in de volgende paragrafen zal blijken.