Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.6.6:2.6.6 Afsluitend over de codificatie
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.6.6
2.6.6 Afsluitend over de codificatie
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de voorbereiding voor het Wetboek van Strafvordering van 1926 speelde het opportuniteitsbeginsel een belangrijke rol. Vooral onder invloed van Duitse auteurs werd een formulering van het opportuniteitsbeginsel afgewezen, nietvervolging beschouwde men als een uitzondering. In het ontwerp-Ort is nog geen duidelijke stelling ingenomen, maar de staatscommissie was van mening dat de wet een uitspraak moest doen over de keuze tussen het opportuniteitsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Het voorstel van de staatscommissie gaat uit van beide beginselen die elkaar in evenwicht houden. Tijdens de parlementaire behandeling wordt echter expliciet gekozen voor het opportuniteitsbeginsel en verdwijnt het legaliteitsbeginsel uit de wet. In plaats daarvan wordt het beklagrecht van belanghebbenden als voornaamste correctie op de daarmee erkende grote vrijheid van het om voorgesteld.1 Het in de praktijk gegroeide opportuniteitsbeginsel is daarmee gelegaliseerd.2
Deze ontwikkeling van het opportuniteitsbeginsel is door Pieterman in een sociologisch kader geplaatst. In zijn visie is de sterke politieke en bestuurlijke invloed op het Nederlandse vervolgingsbeleid een gevolg van de maatschappelijke verhoudingen in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. De wetgevende macht is nooit in grote conflicten geraakt met delen van de bevolking die geen invloed op de wetgeving konden uitoefenen, maar de democratisering heeft zich geleidelijk aan voltrokken. In de tijd dat het opportuniteitsbeginsel een wijdverbreide praktijk werd bestond er nog een aanmerkelijk overwicht van bestuurders op burgers, dat echter geen onderwerp van conflict was. Hierdoor hoefde geen toevlucht te worden gezocht tot een wettelijke conflictoplossing door vervolgingsverplichtingen te codificeren en zo discretionaire machtsuitoefening in te dammen. Toen de democratisering van de maatschappij in een vergevorderd stadium was, kon de uitdrukking dat van vervolging in het algemeen belang kon worden afgezien in de wet worden vastgelegd, omdat de pragmatische stijl van regeren ook in een nieuw machtsevenwicht bleef bestaan.3
In deze ontwikkeling van het opportuniteitsbeginsel tot en met de codificatie ligt de nadruk op individuele belangen van verdachten en slachtoffers. De pacificerende werking van het opportuniteitsbeginsel in concrete situaties staat voorop. Ook wordt wel opgemerkt dat het staatsbelang in sommige gevallen gediend is met niet-vervolging, maar dan gaat het vrijwel alleen om gevallen waarin ernstige staatsveiligheidsproblemen zouden kunnen rijzen. ‘t Hart onderscheidt de rechtsontwikkeling tot op dit punt als de eerste twee fasen in de ontwikkeling van het opportuniteitsbeginsel. De derde fase betreft de opkomst van de positieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel, die aan dit beginsel een andere interpretatie geeft.