Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.7.3
16.7.3 1978: invoering (wettelijk) minimumkapitaal
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402391:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Treurniet 1976.
Kamerstukken II, 1974/75, 13 483, nr. 3 (MvT), p. 9.
Treurniet 1976.
Kamerstukken II 1974/75, 13 483, nr. 4 (Bijlage advies Comm. Vennootschapsrecht), p. 16.
Kamerstukken II, 1974/75, 13 483, nr. 2.
Kamerstukken II, 1974/75, 13 483, nr. 3 (MvT), p. 10.
Kamerstukken II, 1974/75, 13 483, nr. 6 en 7.
De Commissie Vennootschapsrecht had in haar advies een minimumkapitaal van hfl 15.000 bepleit.
Wet van 25 mei 1978, Stb. 1978, 269.
Zie bijvoorbeeld Van Schilfgaarde 1976, p. 64 en Roelvink 1977, p. 150.
Kamerstukken II, 1974/75, 13 483, nr. 45a, p.1.
De Departementale Richtlijnen van 1972 voor het beoordelen van oprichtingen en statutenwijzigingen van NV’s en BV’s bepaalden dat in de statutaire doelomschrijving de belangrijkste activiteiten van de onderneming van de vennootschap duidelijk moesten worden vermeld. Tussen deze activiteiten en het geplaatste deel van het maatschappelijk kapitaal mocht, “mede gelet op andere financieringsmiddelen, geen kennelijk onredelijk verband bestaan”.1 Dit criterium bood weinig houvast, omdat het voor het departement onmogelijk was om vast te stellen hoeveel vermogen een vennootschap voor haar activiteiten nodig had en welke “andere financieringsmogelijkheden” de vennootschap ter beschikking stonden. Daarnaast gaf de doelomschrijving in de statuten niet aan welke omvang de activiteiten zouden hebben, terwijl de vermogensbehoefte van de vennootschap daarvan evident afhankelijk was.2 In de Departementale Richtlijnen van 1976 werd dit kwalitatieve vereiste daarom vervangen door een kwantitatieve toets. Deze hield in dat het gestort kapitaal van de vennootschap tenminste hfl. 25.000 diende te bedragen. Hiermee was het eerste minimumkapitaal vereiste in Nederland een feit. De regel was niet absoluut, aangezien de Departementale Richtlijnen bepaalden dat een kleiner kapitaal was toegestaan indien aannemelijk kon worden gemaakt dat de vennootschap daarmee haar doel kon realiseren. Volgens Treurniet was het nog maar de vraag of, bij gebrek aan een wettelijke grondslag, het Departement een dergelijke eis wel mocht stellen.3
Het minimumkapitaal in de Departementale Richtlijnen van 1976 liep vooruit op de introductie van een wettelijk verankerd minimumkapitaal. De Werkgroep Vennootschapsrecht, die was belast met het adviseren van de Staatssecretaris in vraagstukken over het preventief toezicht op de oprichting en statutenwijziging van NV’s en BV’s, had in 1973 aan de Commissie Vennootschapsrecht de vraag voorgelegd of Nederland gebaat zou zijn bij de introductie van een wettelijk verankerd minimumkapitaalvereiste. In haar advies gaf de Commissie aan het “bedenkelijk [te vinden], dat niet zelden [werd] gepoogd een BV op te richten met een zeer klein kapitaal. Het gebruik van de BV-vorm voor een onderneming [was] naar het oordeel van de Commissie slechts maatschappelijk aanvaardbaar, indien de oprichters een ‘redelijk’ bedrag aan middelen ter beschikking van de BV stellen; indien de BV van een redelijk kapitaal wordt voorzien”.4 Het voorrecht van de beperkte aansprakelijkheid van de “oprichters, behoorde gepaard te gaan met de inbreng van een redelijk vermogen in de vennootschap”. De Commissie stelde dat “de BV-vorm niet een middel [mocht] worden om het risico van het ondernemershandelen geheel af te wentelen op de schuldeisers”. De Commissie toonde zich ervan bewust dat een minimumkapitaal geen waarborg gaf voor de solvabiliteit van de vennootschap. Met een minimumkapitaal werd volgens de Commissie echter wel bereikt dat een zekere vermogensafzondering moest plaatsvinden en “dat het risico van het ondernemen niet geheel op schuldeisers kon worden afgewenteld”.
Op basis van dit advies is onder minister van Justitie Van Agt een wetsontwerp ter invoering van een minimumkapitaal tot stand gekomen.5 Het wetsontwerp sloot aan bij de argumentatie van de Commissie voor de invoering van een wettelijk minimumkapitaal bij oprichting. De doelstelling van het ontwerp was volgens de minister “het tegengaan van een lichtvaardig gebruik van vennootschappen met rechtspersoonlijkheid”.6 Op de door de Vaste Kamercommissie van Justitie opgeworpen vraag wat de minister daar precies onder verstond, gaf deze te kennen een uitputtende omschrijving hiervan niet doenlijk te achten.7 Wel gaf hij aan daarbij vooral te denken “aan het geval dat de oprichters de vennootschap nauwelijks de financiële mogelijkheid van een gezond zakelijk bestaan geven, zodat de vennootschap slechts een kortstondig leven zal zijn beschoren”.
Het wetsontwerp stelde aanvankelijk een minimumkapitaal van hfl 25.000 voor.8 In de uiteindelijke wet van 1978 is het minimumkapitaal echter op hfl 35.000 gesteld, zowel voor de NV als de BV.9 Het voorstel van enkele leden van de Vaste Kamercommissie van Justitie om de hoogte van het minimumkapitaal afhankelijk te maken van de werkzaamheden van de vennootschap was in de ogen van de minister “in feite een onbegaanbare weg” gebleken.
Aanvankelijk was er veel draagvlak voor de introductie van het minimumkapitaal.10 Dat neemt niet weg dat er van meet af aan scepsis bestond over het daadwerkelijke nut van de introductie voor de vennootschapscrediteuren. Ook de minister toonde zich in deze een realist:
“Dat reeds na het tot stand komen van deze wet een redelijke zekerheid voor schuldeisers zal zijn geschapen, verwacht ik niet. Men zou de mogelijkheden van de wetgever overschatten wanneer men van wetswijziging een redelijke zekerheid voor niet bevoorrechte schuldeisers van ondernemingen verwacht. De ervaring leert dat de wet niet bij macht is om deze zekerheid te scheppen.”11