Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/2.4.3
2.4.3 Het onderzoek naar conservatoir beslag (research memorandum)
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499505:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aanvankelijk is voor dit onderzoek de mogelijkheid opengehouden om ook appèlzaken hierin te betrekken. Na een pilot bij Hof Leeuwarden is op grond van een afweging van te investeren tijd om de benodigde gegevens te kunnen traceren versus het te verwachten geringe resultaat, besloten om hiervan af te zien.
De aanvankelijke veronderstelling was dat deze match op centraal niveau langs geautomatiseerde weg op het unieke identificatienummer van partijen zou kunnen worden gemaakt. Al snel bleek dat het hiervoor benodigde veld in de lokale databases van de gerechten vrijwel geen informatie bevatte. De oorzaak hiervan is gelegen in efficiencyoverwegingen bij de invoer op de griffies. Voor een correcte invoer van dit veld is het noodzakelijk dat in het systeem wordt gekeken of de betreffende partij al bij het gerecht bekend is. Zo ja, dan wordt het bestaande nummer aan de nieuwe zaak toegevoegd. Zo nee, dan wordt een nieuw uniek nummer aangemaakt. Omdat deze werkwijze tijdintensief is, worden nieuw aangebrachte zaken in de praktijk vrijwel overal ingevoerd zonder deze procedure te volgen.
Het betreft hoofdzaken met betrekking tot de vordering die aan het (eerdere) beslag ten grondslag was gelegd. In het geval van de zaken met opheffingskortgeding in 2006 waren dit verloven met opvolgend beslag die werden geselecteerd omdat een opheffingskortgeding op het beslag volgde. Voor de zaken zonder opheffingskortgeding waren dit met een steekproef geselecteerde verloven 2006, die werden gecontroleerd op het niet instellen van een opheffingskortgeding.
Zie Bijlage 1 van het Research Memorandum, p. 118-120: methode samenstelling vergelijkingsverzameling dossieronderzoek.
Een intrekking houdt in dat door partijen de zaak wordt ingetrokken voordat een zitting heeft plaatsgevonden. Een royement betekent dat een zaak (meestal door partijen, bij langlopende procedures ook ambtshalve) lopende de procedure wordt beëindigd. Dit gaat, indien ter zitting een schikking is bereikt, soms samen met het opmaken van een procesverbaal. Status ‘onbekend’: er zijn omstandigheden waarin niet bekend is of er een vervolg op een verlofverlening heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld wanneer geen hoofdzaak is ingesteld, of deze bij een andere rechtbank dan de verlofverlenende rechtbank is aangebracht. De status ‘niet van toepassing’ is gebruikt in gevallen waarin er logischerwijs geen document is. Bijvoorbeeld: na een intrekking zal er geen vonnis zijn.
Het aantal in de database Civiel geregistreerde opheffingskortgedingen 2006 bij de betref fende rechtbanken is 310. Na aftrek van onjuist als zodanig geregistreerde zaken (bijvoorbeeld: executoriaal, executiegeschil algemeen of maritaal) resulteert dit in 267 zaken.
Dit laatste heeft met name gespeeld in de vergelijkingsgroep, waarbij aselect geselecteerde rekestnummers het uitgangspunt voor het matchen met hoofdzaken vormen.
Ten behoeve van het Research Memorandum werden gegevens verzameld die een beeld geven van de afgifte van een beslagverlof en het vervolg daarop. Een belangrijke te beantwoorden vraag was welke rol het opheffingskortgeding binnen het geheel van het systeem van conservatoir beslag speelde. Hiertoe was een vergelijking tussen situaties van een beslag met en zonder opheffingskortgeding voorzien. Na een identificatie van gewenste analyses en hiervoor benodigde documenten1 is een verbinding2 gelegd (gematcht) tussen verschillende gegevensgroepen, waarbij op het niveau van procespartijen een match moest worden gemaakt tussen diverse typen gegevens (rekesten-opheffingskortgedingen-hoofdzaken, respectievelijk rekesten-hoofdzaken). Op deze wijze werden dossiergegevens geïdentificeerd, waarmee vervolgens gericht documenten uit de archieven van de gerechten konden worden opgevraagd. Het uiteindelijke doel was om te komen tot twee zogenaamde hoofdverzamelingen, namelijk zaken waarin wel en zaken waarin geen opheffingskortgeding werd aangebracht, de zogenoemde vergelijkingsgroep (zie figuren 3a en 3b). In verband met de doorlooptijd van hoofdzaken werd gekozen voor het jaar 2006 als basisjaar omdat aannemelijk was (en in de praktijk ook is gebleken) dat hiermee in de hoofdzaken die relevant waren3 ook een einduitspraak beschikbaar zou zijn.
Figuur 3a: Opheffingskortgeding (match), zes rechtbanken, 2006.
Figuur 3b: Match Vergelijkingsgroep (geen opheffingskortgeding), zes rechtbanken, 2006.
Voor de verzameling ‘opheffingskortgeding’ is uitgegaan van alle als zodanig in de lokale databases van zes rechtbanken geregistreerde, en hierop op basis van het dossier gecontroleerde zaken. Het betrof 267 zaken (middelste kolom van figuur 3a: N=267). Hieraan zijn de dossiergegevens toegevoegd, waarmee de unieke sleutel van partijgegevens bekend werd. Hierbij zijn vervolgens de rekesten, die aanleiding waren voor het aanvragen van een opheffingskortgeding (linkerkolom van figuur 3a), en de bijbehorende hoofdzaken (een civiele handelszaak (HA/ZA) of kort geding (KG/ZA) gezocht (rechterkolom van figuur 3a). Voor de vergelijkingsgroep (‘geen opheffingskortgeding’) is een andere methode van samenstelling gebruikt.4 Het betreft een aselecte steekproef uit het totale aantal geregistreerde beslagrekesten bij de zes meewerkende rechtbanken die – ten behoeve van de vergelijkbaarheid van beide bestanden – qua aantal even groot is als het aantal zaken (N = 267) waarin een opheffingskortgeding werd geëntameerd. De basisgegevens die als uitgangspunt voor het matchen werden gebruikt, zijn in de figuren 3a en 3b grijs aangegeven.
Naast inhoudelijke zijn ook niet-inhoudelijke (status)gegevens in de datasheets opgenomen. Het gaat hierbij met name om intrekkingen, royementen, geen documenten bekend of niet van toepassing.5 Het is relevant om ook deze gegevens in analyses te betrekken omdat zij informatie geven over het verloop en de omvang ten opzichte van (procedurematig) eerdere verzamelingen. Het aantal zaken waarin een vonnis bekend is dat informatie kan geven over de toe- of afwijzing van de hoofdvordering is kleiner dan het aantal bekende hoofdzaken. Wanneer wordt gesproken over resultaten in de zin van toe- of afwijzingen is het van belang om zich te realiseren dat gepresenteerde resultaten betrekking hebben op die zaken waarin een vonnis is uitgesproken. Er is dus ook een omvangrijke groep waarin niet bekend is hoe de uitspraak van de rechter zou zijn geweest. Daar waar op grond van de inhoud van documenten is gebleken dat deze niet juist waren geregistreerd in de database Civiel of documenten weliswaar bekend waren op grond van de database Civiel, maar niet geleverd konden worden uit de archieven, zijn de in dit onderzoek gepresenteerde aantallen hiermee gecorrigeerd6 dan wel vervangende rekesten geselecteerd.7 Niet alle documenten konden compleet worden aangeleverd, hetgeen met name in de vergelijkingsgroep soms leidt tot relatief hogere aantallen onbekende gegevens. Schikkingen die ter zitting zijn bereikt worden niet door alle gerechten op dezelfde wijze afgehandeld en geregistreerd: dit heeft gevolgen voor de gegevens inzake proces-verbaal. Op die onderdelen in deze rapportage waar (een vermoeden bestaat dat) een der voorgenoemde factoren van invloed kan zijn op de resultaten, wordt hiervan melding gemaakt.