Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/4.2
4.2 Drie typische kernmerken van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284512:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Van Maanen (Van Maanen 2004a, p. 51 e.v.) wijst er overigens terecht op dat er tal van verschillen zijn waardoor burgerlijk recht en bestuursrecht niet goed op elkaar aansluiten. De door mij behandelde kenmerken vormen volgens mij echter de belangrijkste redenen voor de lastige csqn-vraagstukken.
Dit is vaste rechtspraak: zie bijv. HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347, AB 1986/573, m.nt. F.H. van der Burg (Heesch/Van den Akker), HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, NJ 2017/46 m.nt. T. Barkhuysen (Universiteiten/SCAU) en HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2563, NJ 2017/409 (formele rechtskracht bestemmingsplan). Zie hierover bijv. Kortmann 2006, p. 165 e.v.
Vaste rechtspraak sinds HR 24 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4771, NJ 1984/669, m.nt. J.A. Borman (St. Oedenrode/Driessen) en HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0261, NJ 1993/112, m.nt. C.J.H. Brunner (Van Gog/Nederweert).
HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4070, JB 2005/243 (Beijaerts/Bergen op Zoom).
Zie HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588, AB 1998/231, m.nt. Th.G. Drupsteen (Staat/Boeder) en ABRvS 9 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF7035, BR 2003/162, m.nt. B.P.M. Ravels (Athlon). Zie daarover bijv. Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p. 454-455.
HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2087, AB 2007/270, m.nt. G.A. van der Veen (Enschede/Gerridzen).
HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3257, NJ 2009/146, m.nt. M.R. Mok (Hoogland/Rotterdam).
Bijv. ABRvS 29 februari 1996, ECLI:NL:RVS:1996:ZF2078, AB 1997/146, m.nt. B.J. Schueler (St. Servatius); CBb 17 april 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF8080, AB 2003/277, m.nt. J.H. van der Veen (West-Nijlvirus) en ABRvS 15 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7586, AB 2005/54, m.nt. A.A.J. de Gier (Meerssen). Zie hierover ook Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p. 493 en Schueler 2007, p. 57.
Hiervoor bestaan twee eenvoudige argumenten: (i) de bestuursrechter kan wél van de onrechtmatigheid van het besluit in primo uitgaan en (ii) eenzelfde besluit kan jegens een doorprocederende belanghebbende uiteindelijk wel onrechtmatig zijn, terwijl precies datzelfde besluit voor rechtmatig gehouden wordt jegens een belanghebbende die de strijd heeft opgegeven.
Zie ook Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p. 455 en 459.
Ik noem bijvoorbeeld Van Ravels 2005, onder 5, Gelpke 2007, onder 4 en Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p. 429.
Zie uitvoerig Kortmann 2006, hfst. 8. Zie ook bijv. Kortmann 2016, onder 5.
De bestuursrechter oordeelt op grond van art. 8:88 Awb ook over civielrechtelijke aansprakelijkheid. Ik zal hierna steeds van de aansprakelijkheidsrechter of de civiele rechter spreken, indien ik het heb over de rechter die in een civiele procedure of op de voet van art. 8:88 Awb oordeelt over de aansprakelijkheid van het overheidslichaam voor schade als gevolg van een genomen besluit.
Overigens is de overheid bij haar civielrechtelijk handelen ook gehouden aan de door haar jegens de burgers in acht te nemen publiekrechtelijke normen. Zie daarover hiervoor §2.2. Dat betekent echter niet dat de Awb steeds geldt voor al het civielrechtelijk handelen van de overheid.
Zie Schlössels/Zijlstra 2017, p. 177 e.v.
126. Het besluitenaansprakelijkheidsrecht heeft een drietal typische kenmerken die wezensvreemd zijn aan het algemene civiele aansprakelijkheidsrecht: (i) de belangrijke rol van de leerstukken van de ‘formele’ en de ‘oneigenlijke formele’ rechtskracht, (ii) de bestuursrechtelijke toetsing van de (on)geldigheid van het genomen besluit naast de beoordeling van de civielrechtelijke (on)rechtmatigheid van het overheidsgedrag en (iii) het gegeven dat het bestuursorgaan in plaats van het ongeldige besluit vaak een geldig besluit kon nemen en zou hebben genomen of in de verlengde besluitvorming alsnog neemt. Ik licht deze kenmerken hierna uitgebreider toe. Vervolgens bespreek ik waarom deze kenmerken de causaliteitsdiscussie in de context van het besluitenaansprakelijkheidsrecht bemoeilijken.1
(i) De (on)eigenlijke formele rechtskracht en de (on)rechtmatigheid van het besluit
127. Het leerstuk van de formele rechtskracht berust op de gedachte dat de civiele rechter zich vanwege de taakverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter moet onthouden van een inhoudelijk oordeel over de geldigheid en rechtmatigheid van besluiten voor zover de geldigheidstoetsing daarvan aan de bestuursrechter is gelaten. Zo worden tegenstrijdige uitspraken – en jurisprudentielijnen – zoveel mogelijk voorkomen. De civiele rechter gaat daarom uit van de rechtmatigheid van een besluit indien daartegen voor de eiser een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter heeft opengestaan en de burger daartegen niet of tevergeefs is opgekomen (‘formele rechtskracht’).2 Omgekeerd gaat de civiele rechter, eveneens om niet in het vaarwater van de bestuursrechter terecht te komen, uit van de onrechtmatigheid van het besluit indien de bestuursrechter het besluit (ongeldig heeft verklaard en daarom) heeft vernietigd (‘oneigenlijke formele rechtskracht’).3 De vernietiging van een besluit impliceert in dit leerstuk dus de onrechtmatigheid daarvan.
128. Dit systeem brengt voor de civiele rechter enkele bijzonderheden mee. Ten eerste volgt uit de vernietiging van een besluit op bezwaar volgens de Hoge Raad nog niet de onrechtmatigheid van het besluit in primo. Dat besluit in primo zelf is namelijk door de bestuursrechter niet vernietigd, terwijl de civiele rechter niet zelf mag oordelen over de rechtmatigheid daarvan. Pas als het bestuursorgaan de onrechtmatigheid daarvan erkent, kan de civiele rechter van die onrechtmatigheid uitgaan.4 Die erkenning kan ook schuilen in een wijziging of herroeping die haar grondslag vindt in de ongeldigheid van het besluit. Herroept het bestuursorgaan bij besluit op bezwaar daarentegen het besluit in primo vanwege een gewijzigd beleidsinzicht of op basis van nieuwe informatie dan levert dat geen onrechtmatigheid van het besluit in primo op.5 Zonder nieuw besluit na vernietiging van het besluit op bezwaar gaat de Hoge Raad uit van de rechtmatigheid van het besluit in primo, nu dat besluit niet vernietigd is.6 Als het bestuursorgaan het besluit in primo handhaaft bij besluit op bezwaar en dat laatste besluit bij de bestuursrechter in stand blijft, dan wordt er eveneens van uitgegaan dat het besluit in primo rechtmatig was vanaf het moment dat het genomen werd.7
129. De bestuursrechter gaat anders dan de civiele rechter niet uit van de geldigheidsfictie van het besluit in primo op grond van de formele rechtskracht. Hij kan daarom als schaderechter ex art. 8:88 Awb wel op eigen gezag uitgaan van de onrechtmatigheid van het besluit in primo, indien uit de vernietiging van het besluit op bezwaar blijkt dat ook het besluit in primo onrechtmatig was. Dat is bijvoorbeeld het geval als het besluit in primo bij het vernietigde besluit op bezwaar ongewijzigd in stand is gelaten.8
130. In dit onderzoek ga ik voor de overzichtelijkheid aan dit procedureel ingegeven aspect van de besluitenaansprakelijkheid voorbij. Deze problematiek is namelijk wel relevant voor de vraag welk besluit door de civiele rechter voor rechtmatig gehouden moet worden en welk besluit niet, maar het verandert niet waaruit de onrechtmatigheid bij besluiten bestaat en hoe de csqn-toets moet worden uitgevoerd. Het kan volgens mij goed zijn dat een besluit op de voet van art. 6:162 BW op zichzelf onrechtmatig is, maar de formele rechtskracht ertoe leidt dat het besluit voor de civiele rechter voor rechtmatig gehouden moet worden.9
131. We zullen in met name hoofdstuk 5 zien dat de vaststelling van het precieze onrechtmatige gedrag ook in het besluitenaansprakelijkheidsrecht van belang is voor de vraag hoe de csqn-toets conform het civiele recht moet worden uitgevoerd. Waar de onrechtmatigheid van het besluit in primo dus nog afhangt van de besluitvorming in de bezwaarfase (na vernietiging), dient het bestuursorgaan dat het besluit in primo herroept wel steeds duidelijk te maken of die herroeping wegens de onrechtmatigheid daarvan geschiedt en waaruit de onrechtmatigheid van dat besluit volgens het bestuursorgaan bestaat. De burger moet daarop bij de behandeling van het bezwaar (na vernietiging) aansturen.10 Niet zelden zal overigens op grond van de uitspraak van de bestuursrechter wel duidelijk zijn waar het bij de besluitvorming in primo en op bezwaar aan schort.
132. Dat ik aan de (on)eigenlijke formele rechtskracht voorbijga, wil ten slotte niet zeggen dat ik dit systeem toejuich. Integendeel, Kortmann, en met hem vele anderen,11 wijzen er wat mij betreft terecht op dat de formele rechtskracht door dit soort consequenties procedeerdwang en ingewikkeldheden uitlokt als gevolg van het streven naar een strikte competentieverdeling tussen bestuursrechter en civiele rechter. De burger zal immers om schadevergoeding te kunnen vorderen wegens een onrechtmatig besluit in primo net zo lang moeten doorprocederen totdat het bestuursorgaan van dat besluit terugkomt. Dat is eigenlijk niet zinvol, inefficiënt en veelal kostbaar.12 Het gaat echter de vraagstelling van dit proefschrift te buiten een wijziging van dat systeem te onderzoeken.
(ii) Besluit en geldigheid daarvan staan centraal in plaats van de onrechtmatigheid
133. Er bestaat een fundamenteel verschil tussen de focus van het bestuursrecht en de bestuursrechter enerzijds en de focus van de civiele rechter – of sinds de invoering van art. 8:88 Awb misschien beter: aansprakelijkheidsrechter –13 en het civiele aansprakelijkheidsrecht anderzijds. Het bestuursrecht richt zich op de geldigheid van het genomen besluit, het civiele aansprakelijkheidsrecht op de onrechtmatigheid van gedrag. Dit verschil is voor mijn betoog essentieel. Ik licht het onderscheid daarom nader toe.
134. In het bestuursrecht staat ‘het besluit’ en de geldigheid daarvan centraal. Het besluitbegrip heeft in essentie twee functies: (a) het bestuursrechtelijk appellabel handelen van de overheid afbakenen van diens andere (publiekrechtelijke en civielrechtelijke) handelen en in het verlengde daarvan (b) het definiëren van het in besluiten gevangen overheidshandelen dat volledig beheerst wordt door de door de Awb gestelde procedurele en inhoudelijke eisen en waarborgen14 en (c) de rechtspositie van burger bij dat in besluiten gevangen handelen vastleggen. Het besluitbegrip vormt dus als het ware de ingang naar de Awb en de centrale focus van de bestuursrechter.15 De bestuursrechter toetst enkel of het genomen appellabele besluit geldig is, in die zin dat het de daaraan door het publiekrecht gestelde eisen kan doorstaan.
135. De aansprakelijkheidsrechter en het aansprakelijkheidsrecht hebben een andere fundamenteel andere focus. Het civiele aansprakelijkheidsrecht is – met het oog op het beslechten van een geschil over aansprakelijkheid voor geleden schade – gericht op de vraag of een bepaalde gedraging – art. 6:162 lid 2 BW spreekt van een doen of een nalaten – strijdt met een bepaalde geschreven of ongeschreven norm of dat sprake is van een rechtsinbreuk. Uit art. 6:162 BW volgt een verbintenis tot vergoeding van door dat gedrag veroorzaakte schade. Dat op zichzelf (in enge zin) onrechtmatige gedrag kan vervolgens desondanks rechtmatig (of beter: gerechtvaardigd) zijn als daarvoor ex art. 6:162 lid 2 BW een rechtvaardigingsgrond bestaat.
(iii) Mogelijkheid van geldig besluit ten tijde van nemen besluit of in verlengde besluitvorming
136. Met het vernietigen van een besluit staat nog niet vast dat ook het dictum daarvan definitief van de baan is. Niet zelden volgt op een ongeldig besluit alsnog een geldig besluit met hetzelfde of een vergelijkbaar dictum. Als het bestuursorgaan een onvoldoende gemotiveerde omgevingsvergunning verleent, betekent dat niet dat de vergunningverlening definitief van de baan is. Het bestuur kan met een betere motivering vaak alsnog een vergunning met een vergelijkbaar dictum verlenen. En als de ongeldigheid van de verleende vergunning schuilt in strijd met het bestemmingsplan, kan het bestuursorgaan soms bijvoorbeeld door middel van een vrijstellingsbesluit alsnog een geldige vergunning verlenen. Dat betekent bovendien dat het bestuursorgaan veelal ook al ten tijde van het nemen van het ongeldige besluit een geldig besluit zou hebben kunnen nemen en vaak ook zou hebben genomen als het zich van zijn fout bewust zou zijn geweest.