Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.5.1:7.5.1 Inleiding
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.5.1
7.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS448752:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de paragrafen 7.2 tot en met 7.4 is gebleken dat de overheid onder omstandigheden op grond van artikel 2evrm, artikel 8evrm en/of artikel 1ep de positieve verplichting kan hebben om handhavend op te treden tegen overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving, indien de overtreding een bestaande of toekomstige aantasting van een of meer van de door die artikelen beschermde belangen tot gevolg heeft of kan hebben. Deze onder omstandigheden bestaande positieve verplichting om handhavend op te treden wordt hierna ook wel kortweg ‘de positieve verplichting tot handhaving’ genoemd. De vraag rijst hoe die positieve verplichting zich verhoudt tot de in de rechtspraak van de Nederlandse bestuursrechter ontwikkelde beginselplicht tot handhaving. In het bijzonder komt de vraag op of de beginselplicht tot handhaving voldoende waarborgt dat de overheid verplicht is handhavend op te treden tegen overtredingen in die gevallen waarin zij op grond van de positieve verplichting onder artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep verplicht is handhavend op te treden. Zo dit niet het geval zou zijn, zou aan die positieve verplichting in het nationale recht immers een belangrijke aanvullende werking toekomen. Deze vragen komen in deze paragraaf aan de orde. Daartoe zal eerst in algemene zin kort ingegaan worden op die nationale beginselplicht tot handhaving.