Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.2.4.4
3.2.4.4 Samenhangcriteria bepalen problemen en oplossingen
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS362253:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 205.
Michiels, Kleur in het omgevingsrecht 2001, p. 1-3.
Art. 6a lid 1 eerste volzin Hinderwet luidde: 'Wanneer een vergunning wordt verzocht of zou moeten worden verzocht voor de uitbreiding of wijziging van een inrichting, ten opzichte waarvan reeds een of meer vergunningen werden verleend, dan wel voor de verandering van een in een zodanige inrichting gebezigde werkwijze, kan het gemeentebestuur toestaan of verlangen, dat door de betrokkene een verzoek wordt ingediend voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning.'
Zie bijvoorbeeld ABRvS 13 oktober 1997, JM 1997, 65.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 juni 1999, JM 1999, 116.
Idem Michiels, Kleur in het omgevingsrecht 2001, p. 3. Overigens is dit probleem na de oratie van Michiels opgelost doordat strijd met het bestemmingsplan op 1 juli 2008 werd opgenomen in de Wet milieubeheer als weigeringsgrond voor de milieuvergunning. Die weigeringsgrond is op 1 oktober 2010 als zodanig niet teruggekomen in art. 2.14 Wabo.
Art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e Wabo.
Art. 6.2 Wtw.
Art. 2.14 lid 1 aanhef en onder a sub 2
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 204.
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 205.
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 204.
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 204-205.
In de derde plaats bepalen samenhangcriteria het wetssysteem en daardoor in meer of mindere mate de oplossing voor het probleem dat de wetgever wil regelen. Zo zal de oplossing van een aan de rechter voorgelegd probleem
sterk afhankelijk kunnen zijn van het wetssystematisch kader waarbinnen dat probleem aan de orde kan of moet worden gesteld. Dat betekent naar mijn opvatting dat de wetgever zich bij het kiezen voor een wetssysteem door bundeling in elk geval ook moet afvragen welke problemen hij daarmee wenst op te lossen en welke probleemoplossingen hij uitsluit of bemoeilijkt. Het gevaar dat problemen over het hoofd worden gezien, wordt daardoor verminderd.1
Een voorbeeld dat illustreert dat de keus voor een bepaalde wetssystematiek gevolgen heeft voor de praktijk ontleen ik aan de Utrechtse oratie van Michiels.2In 1977 verleenden burgemeester en wethouders (BenW) van Enschede aan het bedrijf SE Fireworks een revisievergunning.3 Omwonende Slot schreef aan BenW: 'Het lijkt mij dat je midden in een woonwijk een dergelijke inrichting juist zou moeten weren. Hoe het überhaupt in deze tijd nog mogelijk is dat in een woonwijk als deze een dergelijke onderneming nog steeds gehuisvest is, is me een raadsel. Waarom niet verhuizen naar een andere locatie buiten de stad op het industriegebied? Dergelijke opslagplaatsen behoren niet in woonwijken te worden gesitueerd.' BenW wezen de bedenking van Slot resoluut van de hand. Die betrof volgens hen namelijk een planologisch aspect dat als zodanig niet behoort tot het toetsingskader van de Wet milieubeheer, te weten de bescherming van het milieubelang. Daarmee volgden BenW volgens Michiels de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.4 De Afdeling vindt dat een argument als aangevoerd door Slot uitsluitend de verenigbaarheid van planologische functies betreft. Zij eist dat hetgeen naar voren wordt gebracht betrekking heeft op de inrichting in kwestie.5
Dit voorbeeld laat zien dat de wetgever zich ten minste de vraag zou moeten stellen of het milieubelang en het belang van een goede ruimtelijke ordening wel zouden moeten worden gescheiden als in het voorbeeld het geval is.6 In feite is dat een vraag naar de te hanteren samenhangcriteria.
Een ander voorbeeld betreft de in de Wabo geregelde omgevingsvergunning en de in de Waterwet geregelde watervergunning. Een project als bedoeld in de Wabo, zoals de bouw van een fabriek, heeft vaak ook gevolgen voor de waterkwaliteit. In dat geval is zowel een omgevingsvergunning7 als een watervergunning8 nodig. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning worden onder meer de gevolgen voor het milieu betrokken.9 De gevolgen voor de waterkwaliteit kunnen onder die noemer echter niet aan de orde komen. Zou de wetgever in de Wabo hebben gekozen voor 'de fysieke leefomgeving als geheel' als samenhangcriterium, dan zou dat criterium uit wetssystematisch oogpunt leidend dienen te zijn. Het gevolg daarvan zou zijn, dat de omgevingsvergunning ook zou dienen te gelden voor de activiteiten van de fabriek waarvoor thans een watervergunning nodig is. Probleemoplossingen zouden in dat geval ook gezocht kunnen worden in een afweging tussen milieu- en waterkwaliteit.
In dit verband noem ik graag Noll, waar hij stelt: 'Die Gesetzessystematik dient der Erleichterung der Information. Darüber hinaus hat sie Nebenwir-kungen, die oft gar nicht in den Blick gelangen. Da sie immer zugleich Themen begrenzt und Probleme definiert, kann sie ganz ungewollt und dem Adressaten unbewuBt Problemsicht, Erkenntnis- und Forschungsinteresse vorbestimmen.'10 Volgens Noll bepaalt het systeem het probleem en niet andersom het probleem het systeem.11 Noll toont met twee voorbeelden overtuigend belangrijke mogelijke bijwerkingen van een wetssysteem aan. De wetgever dient naar mijn oordeel oog te hebben voor dergelijke bijwerkingen bij het ordenen van het omgevingsrecht.
Het eerste voorbeeld dat Noll noemt betreft het strafrecht. Als strafrecht betekent dat het gaat om het thema 'straf', dan zal strafrecht in eerste instantie om het probleem 'straf' gaan en maar gedeeltelijk om het probleem 'bestrijding van de criminaliteit'. Als daarentegen 'criminaliteit' als systematiseringsthema zou zijn gekozen, dan is straf slechts een van de vele mogelijkheden om te reageren op criminaliteit naast bijvoorbeeld maatschappelijk werk, opvoeding en opleiding en de afbouw van criminogene wetten. Elke mogelijke oorzaak van criminaliteit en elk mogelijk middel daartegen wordt voorwerp van onderzoek. De keus voor straf als systematiseringscriterium betekent volgens Noll zelfs dat oplossingen worden verhinderd: 'Das Systematisieringskriterium der Straf ist also geeignet, strafrechtliche Problemlösungen zu verhindern.'12
Het tweede voorbeeld ontleent Noll aan de Zwitserse rechtspraktijk. Het toont aan dat de keuze voor de oplossing van een bepaald probleem afhangt van het wetssysteem waarbinnen die oplossing moet worden gevonden. Aan de orde was een tariefswijziging in het Postverkehrsgesetz. De eidgenössischen Raten discussieerden in dat verband over de vraag of en hoe de verscheidenheid van de Zwitserse pers kon worden behouden. Commercieel succesvolle kranten met veel advertenties zouden worden benadeeld als gevolg van het feit dat het posttarief sterk zou stijgen boven een bepaald gewicht. Omdat de krantenbezorging voor de post toch al een verliesgevende afdeling was, zouden daardoor de indirecte subsidies ten gunste van de zwakkere persorganen herverdeeld worden. Deze wetgevingsdiscussie doorbrak het systeem en het thema van het Postverkehrsgesetz. 'Was von Systematisierungskriterium 'Postverkehr' und 'Finanzierung der Post' nur Nebenwirkung war, wurde vom Systematisierungs-kriterium 'Pressefreiheit' und Erhaltung der Meinungsvielfalt vorrangiger Zweck.' Daardoor kwam voor het probleem 'pers' maar een enkel wetgevingsmiddel in aanmerking, namelijk het posttarief. Zou de wetgever de discussie hebben gevoerd binnen de systeemordeningscriteria persvrijheid en persverscheidenheid, dan zouden volgens Noll vermoedelijk ook andere oplossingen voor het probleem zijn bekeken. De uitwerkingen voor de post zouden dan niet als wetgevingsdoel, maar als louter bijwerking zijn gezien met vanzelfsprekend een ander gewicht in de discussie.13