Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.3.1
5.3.1 Richtlijnhistorie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291131:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 752.
Vgl. R. Millar, ‘VAT and Immovable Property: Full Taxation Models and the Treatment of Capital Gains on Owner-Occupied Residences’, in: R. de la Feria (ed.), VAT Exemptions. Consequences and Design Alternatives, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2013, p. 257 die erop wijst dat deze belastingplichtigen in Australië worden aangeduid als ‘producers whose supplies are input taxed’.
Deze term is ontleend aan: R. Millar, ‘VAT and Immovable Property: Full Taxation Models and the Treatment of Capital Gains on Owner-Occupied Residences’, in: R. de la Feria (ed.), VAT Exemptions. Consequences and Design Alternatives, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2013, p. 271.
Toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 752 en 759.
Toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 752.
Toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 752 en 759.
Uit de tekst van art. 392 Btw-richtlijn blijkt niet dat bij het toepassen van deze margeregeling op de levering btw moet worden geheven uit de marge, maar uit de toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn en art. B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn is af te leiden dat dit wel de bedoeling is. Overigens lijkt de animo voor deze regeling klein te zijn, hetgeen te verklaren is door het feit dat de levering voor oude gebouwen in beginsel vrijgesteld is. Frankrijk is de enige lidstaat die van deze mogelijkheid gebruikgemaakt heeft (IBFD, France - Value Added Tax - Country Tax Guides, paragraaf 13.2, geraadpleegd op 24 december 2020). Dat Frankrijk hiervoor heeft gekozen, is niet verwonderlijk. Deze regeling heeft namelijk een Franse oorsprong (E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 26-27).
In de toelichting op art 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn wordt opgemerkt dat vastgoed, zoals gebouwen, in het Voorstel voor een zesde richtlijn op tweeërlei wijze voorkomt: als productie- en als consumptiegoederen.1 In de toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn wordt opgemerkt dat woningen in beginsel consumptiegoederen zijn die op het moment van de eerste ingebruikneming worden ‘verbruikt’. Wat hierin niet duidelijk uit de verf komt, is dat woningen die door de eigenaar verhuurd worden geen consumptie-, maar productiegoederen zijn. Dat door de vrijstelling voor de verhuur van woonruimte sprake is van een resultaat – de niet-aftrekbare btw op de aankoopprijs van de woning – dat overeenkomt met de levering van een woning aan de eindverbruiker doet hieraan niet af.2 Een woning die is geleverd aan een eindverbruiker en derhalve de bedrijfskolom heeft verlaten, kan ook weer terugkeren in de distributiesfeer, bijv. door de levering van een particulier aan een vastgoedhandelaar. Omdat in dat geval reeds btw drukt op de woning is sprake van overbelasting3 indien de doorlevering van de woning door de vastgoedhandelaar weer belast zou zijn. In art. 12, A, punt 1, onderdeel d Voorstel voor een richtlijn stelde de Europese Commissie daarom voor dat lidstaten de maatstaf van heffing in dat geval kunnen vaststellen op het verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs, de marge. Voor een belastingplichtige die niet van deze ‘margeregeling’ gebruik kon maken, voorzag de vrijstelling van art. 14, B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn in een ‘noodzakelijke correctie’ op het uitganspunt dat belastbare handelingen belast zijn.4
Voor andere gebouwen dan woningen (hierna ook: niet-woningen) is in de toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn uitgegaan van de veronderstelling dat dit in beginsel productiegoederen zijn.5 Als uitgangspunt geldt dat op productiegoederen geen btw drukt. Wordt een niet-woning voor niet-aftrekgerechtigde bedrijfsdoeleinden gebruikt, dan kan er op dit gebouw wel btw drukken. Om overbelasting te voorkomen achtte de Europese Commissie het noodzakelijk om te voorzien in een uitzondering op het uitgangspunt dat de belastbare levering van niet-woningen belast is.6 In art. 14, B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn werd daarom voorgesteld om de levering van een gebouw door een belastingplichtige die voor dat gebouw geen enkele aanspraak kon maken op aftrek vrij te stellen. In de toelichting op het Voorstel voor een zesde richtlijn is niet ingegaan op de mogelijkheid dat een niet-woning een consumptiegoed is, bijvoorbeeld een overheids- of kerkgebouw, dat weer kan terugkeren in de distributiesfeer. Niettemin volgt uit de bewoordingen van art. 12, A, punt 1, onderdeel d en art. 14, B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn dat, net als bij woningen, de margeregeling of de vrijstelling het voorgestelde middel is om te voorkomen dat een niet-woning die terugkeert in de distributiesfeer nogmaals in de btw-heffing wordt betrokken.
Het voorgaande laat zien dat de ratio van art. 14, B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn kan worden omschreven als het voorkomen dat een gebouw waarop de btw reeds volledig drukt, nogmaals in de btw-heffing wordt betrokken. Zoals uit paragraaf 5.2.3 volgt, hebben de lidstaten het voorgestelde art. 14, B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn niet overgenomen. In plaats daarvan is gekozen voor het compromis dat de levering van oude gebouwen vrijgesteld is, maar de lidstaten de bevoegdheid hebben om belastingplichtigen te laten kiezen voor btw-heffing (zie paragraaf 5.2.3.2). Daarnaast hebben lidstaten op grond van art. 392 Btw-richtlijn – conform het voorgestelde art. 12, A, punt 1, onderdeel d en art. 14, B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn – de mogelijkheid om te bepalen dat voor de levering van gebouwen welke met het oog op de wederverkoop zijn gekocht door een belastingplichtige die voor die aankoop geen recht op aftrek heeft gehad, btw wordt geheven over de marge.7 De ratio van deze bepaling is ongewijzigd: het voorkomen dat een oud gebouw waarop de btw reeds volledig drukt, bij wederverkoop door een belastingplichtige nogmaals belast wordt.