Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/6.2.3
6.2.3 Verordening (EG) nr 1698/2005
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS448646:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Thans is de 6de versie van het POP2 van kracht. De laatste wijziging van het plan werd op 30 juli 2009 ingediend bij de EC. De wijziging werd goedgekeurd op 22 februari 2010. Hiervoor was geen nieuwe goedkeuringsbeschikking van de EC benodigd. Dit document is te vinden op de website www.regiebureau-pop.nl.
Besluit van de Commissie van 11 december 2009 houdende goedkeuring van de herziening van het plattelandsontwikkelingsprogramma van Nederland voor de programmeringsperiode 2007-2013 en houdende wijziging van Beschikking C (2007) 3464 van de Commissie van 20 juli 2007 tot goedkeuring van het plattelandsontwikkelingsprogramma (kenmerk CCI2007NL06RPO001).
Regiebureau POP 2008, p. 27.
Regiebureau POP 2008, p. 6.
Regiebureau POP 2008, 21.
Regiebureau POP 2008, p. 21.
Regiebureau 2010, p. 54 e.v. Dit document is te raadplegen op de website www.regiebureau-pop.nl.
Regiebureau 2010, p. 55-56.
Regiebureau 2010, p. 65 e.v.
Regiebureau POP 2010, p. 67-72.
Regiebureau POP 2010, p. 65.
Regiebureau POP 2008, p. 21.
In Regiebureau 2010 is geen uitwerking van deze maatregel te vinden.
Regiebureau POP 2010, p. 78 e.v.
Regiebureau POP 2010, p. 78.
Regiebureau POP 2010, p. 80-81.
Regiebureau POP 2010, p. 81-83.
Zie de website www.regiebureau-pop.eu/nl onder de kopjes POP 2007-2013 en As 2.
Regiebureau POP 2008, p. 21.
Regiebureau POP 2010, p. 86.
Het moet wel gaan om gebieden die zijn opgenomen en begrensd in provinciale gebiedsplannen.
Regiebureau POP 2010, p. 87-88.
Zie www.regiebureau-pop.nl onder het kopje ‘actueel’ en ‘gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013’.
Voorstel voor een Verordening van het Europees parlement en de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), Brussel 12 oktober 2011, COM(2011) 627 definitief, 2011/0282 (COD). Dit document is te raadplegen op www.regiebureau.pop.eu.
Plattelandsontwikkeling vormt een belangrijke doelstelling van het Gemeenschappelijk Europese landbouwbeleid. Doel van dit beleid is het versterken van de landbouwsector, het verbeteren van natuur, milieu en leefbaarheid op het platteland en de diversificatie van de plattelandseconomie. De juridische basis voor dit beleid is te vinden in Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake de steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). De beleidsmatige en juridische vertaling voor de Nederlandse situatie is te vinden in het ‘Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 voor Nederland’ (hierna: POP2).1 Dit programma is goedgekeurd door de Europese Commissie.2 Het Ministerie van EZ is hoofdverantwoordelijke voor het opstellen en het uitvoeren van het POP2. De doelstellingen van het POP2 vormen een integraal onderdeel van het gebiedsgerichte beleid op basis van de Wet inrichting landelijk gebied. Bij de opzet en de uitvoering van dit beleid is een belangrijke rol weggelegd voor de provincies.3 De inhoud en doelstellingen van het gebiedsgerichte beleid worden geanalyseerd in hoofdstuk 8. De centrale doelstelling van het POP2 is het verbeteren van de concurrentiekracht van de Nederlandse landbouwsector en het verbeteren van de kwaliteit van het landelijke gebied. Daarbij worden de volgende prioriteiten (assen) onderscheiden:
Het versterken van de concurrentiekracht van landbouw- en bosbouwsector;
Het verbeteren van het milieu en de natuur;
Het verbeteren van de leefbaarheid van het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie;
‘LEADER’-aanpak (plattelandsontwikkeling door lokale actiegroepen).4
In het kader van dit onderzoek is alleen de ‘tweede as’ relevant. De overige prioriteiten (assen) van het POP2 blijven buiten beschouwing.
De doelstelling van de maatregelen in As 2 is de vergroting van het duurzame gebruik van de landbouwgrond. Daartoe stimuleert de overheid de beheerders van de landbouwgrond om hun grond dusdanig te beheren dat natuur, milieu, landschap en klimaat er baat bij hebben. Bossen moeten zo veel mogelijk (verschillende) functies vervullen. Volgens de opstellers van het POP2 kan dit doel worden bereikt door bij te dragen aan: a) het stoppen van de achteruitgang van de biodiversiteit, b) de verbetering van de milieu- en watercondities voor natuurdoelen, c) het behoud en versterking van waardevolle cultuurlandschappen en d) het klimaat.5 Voor iedere doelstelling wordt in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid de inzet van bepaalde standaardmaatregelen voorgesteld. Vanuit het perspectief van bescherming van de Natura 2000-gebieden in Nederland zijn vooral doelstelling a, b en d van belang. Doelstelling c blijft vanwege het onderwerp van dit onderzoek verder onbesproken.
Dit neemt niet weg dat het behoud en de versterking van waardevolle natuurlandschappen kunnen bijdragen aan de bescherming van Natura 2000-gebieden in Nederland. Hiervan kan sprake zijn indien dergelijke landschappen onderdeel uitmaken van de EHS en/of grenzen aan een of meerdere Natura 2000-gebieden.
De eerste doelstelling van As 2 van het POP2 is het stoppen van de achteruitgang van de biodiversiteit. Deze doelstelling moet worden bereikt door het realiseren en duurzaam beheren van Natura 2000-gebieden in Nederland en het stoppen van de achteruitgang van de biodiversiteit in het jaar 2010. Daartoe worden de maatregelen 212 en 214 ingezet.6 Maatregel 212 betreft ‘betalingen voor natuurlijke handicaps aan landbouwers in andere gebieden met handicaps dan berggebieden (probleemgebieden)’.7 De juridische basis voor deze maatregel is artikel 37 van de ELFPO.
In Nederland is ruim 260.000 hectare aangewezen als probleemgebied. Daaronder zijn diepe veengebieden, uiterwaarden, hellingen en beekdalen en overstromingsgebieden oververtegenwoordigd. Er zijn ook bepaalde gebieden, zoals het Waddeneiland Texel als probleemgebied aangewezen. In alle gevallen gaat het om gebieden waar vanwege specifieke belemmeringen de landbouwactiviteiten dreigen te verdwijnen. De instandhouding van de landbouw in deze gebieden is onder meer noodzakelijk voor het behoud van het milieu. De doelstelling van maatregel 212 is het voorkomen dat de landbouwers wegtrekken uit de probleemgebieden. Door het behoud van de landbouwers in dergelijke gebieden kan naar verwachting (in positieve zin) worden bijgedragen aan de biodiversiteit, klimaatverandering, de bodemkwaliteit en het landschap. Het aanvragen van een zogenaamde probleemgebiedensubsidie is alleen mogelijk voor landbouwers. Daartoe moet wel worden voldaan aan specifieke ‘subsidiabiliteitscriteria’.8
Maatregel 214 is bedoeld voor het afsluiten van ‘Agromilieuverbintenissen’. De juridische grondslag voor deze maatregel is onder meer gelegen in artikel 39 ELFPO.9 De ratio achter deze maatregel is de toegenomen vraag naar groene en blauwe diensten. De doelstelling van maatregel 214 is om landbouwers te stimuleren agrarische productiemethoden te introduceren of te continueren die verenigbaar zijn met het behoud en de verbetering van het milieu. Op deze manier kan het POP2 bijdragen aan het realiseren en het duurzaam beheer van de EHS en de daarbinnen gelegen Natura 2000-gebieden.
Maatregel 214 verschaft de juridische grondslag voor het verlenen van subsidie voor het beheer van landbouwgrond ten behoeve van het behoud en de ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden en de biodiversiteit. Hierbij gaat het om specifieke vormen van beheer zoals beweiding, maaien, onderhoud van kleine landschapselementen. Het aanvragen van subsidies is mogelijk voor landbouwers en waterschappen. De subsidievoorwaarden verschillen per pakket/beheersmaatregel.10 De agromilieuverbintenissen zijn met ingang van 1 januari 2010 ondergebracht in de systematiek van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer.11 De subsidieverordening wordt geanalyseerd in paragraaf 6.3 van dit boek.
Een andere manier om de doelstelling van As 2 te bereiken, is het verbeteren van de milieu- en watercondities ten behoeve van het realiseren van natuurdoelen. Hiertoe wordt de inzet van de maatregelen 213, 214 (zie hiervoor) en 216 voorgesteld. Nederland zet het POP2 vooral in om de verdroging van natuurgebieden aan te pakken.12 Het is onduidelijk waar maatregel 213 uit bestaat. Deze maatregel wordt uitgewerkt wanneer er zicht is op de te nemen maatregelen in de Natura 2000-gebieden.13 Het ligt voor de hand dat dit gebeurt zodra de beheerplannen voor een groot aantal, of voor alle Natura 2000-gebieden zijn vastgesteld. Vooralsnog is dit niet het geval.
Maatregel 216 (‘Niet-productieve investeringen’) is van toepassing op verschillende soorten investeringen. De wetgever heeft daarbij een onderscheid aangebracht tussen (A1) investeringen gekoppeld aan het afsluiten van een agromilieuverbintenis, (A2) investeringen aan landbouwgrond die zijn gekoppeld aan andere agromilieudoelstellingen en (A3) niet-productieve investeringen in het kader van de nieuwe uitdagingen van het waterbeheer. Deze maatregel vormt (deels) de codificatie van artikel 41 ELFPO.14
Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden zijn vooral de A1- en de A2 variant interessant. In het eerst geval kan een subsidie worden verleend om een geschikte uitgangssituatie te creëren voor het afsluiten van een agromilieuverbintenis.15 Daarbij kan worden gedacht aan het aanpassen van de kenmerken en/of de fysieke condities van een terrein. In de praktijk kan het gaan om zaken als het dempen van sloten om de grondwaterstand te verhogen, het graven van amfibieënpoelen of het aanplanten van hagen. In het tweede geval kan het gaan om maatregelen die het bereiken van een agromilieuverbintenis ondersteunen, zoals het realiseren van een hydrologische overgangszone of het verlagen van het maaiveld om het beheer van natte landbouwgronden ten behoeve van zeldzame flora en weidevogels te vergemakkelijken.16 Het aanvragen voor een subsidie in verband met de uitvoering van maatregel 216 is mogelijk voor landbouwers, waterschappen en andere overheden. Het maximale steunpercentage is afhankelijk van de (voorgenomen) maatregelen. Aangezien het casu niet-productieve investeringen betreft, is er in veel gevallen een vergoeding tot 100% van de werkelijk gemaakte kosten mogelijk.17 Net als bij de ‘agromilieuverbintenissen’ zijn de subsidiemogelijkheden ondergebracht in de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer.18
De vierde doelstelling van As 2 is ‘klimaat’. Volgens de opstellers van het POP2 is het mogelijk om een bijdrage te leveren aan klimaatdoelstellingen door de uitbreiding van het bosareaal in Nederland. Hiertoe kunnen de maatregelen 212 en 221 worden ingezet.19 Maatregel 221 is opgesteld ten behoeve van de eerste bebossing van landbouwgrond en vormt een uitwerking van onderdelen van artikel 36 ELFPO.
Maatregel 221 is in de eerste plaats bedoeld om landbouwgronden duurzaam om te zetten ten behoeve van klimaatdoelstellingen. Daarnaast is het aanleggen van nieuwe bossen van belang voor het stimuleren van de biodiversiteit en het behalen van de natuurdoelstellingen zoals de realisatie van de EHS.20 De regeling staat open voor ondernemers. De subsidieregeling is van toepassing op landbouwgronden die onderdeel uitmaken van de EHS21, vallen binnen begrensde gebieden of zijn aangewezen als Nationaal- dan wel Provinciaal- of regionaal landschap. De subsidie bedraagt – afhankelijk van het soort gebied – 70 of 80% van de werkelijk gemaakte kosten. Voor Natura 2000-gebieden geldt een maximum van € 7.000 per hectare.22 De mogelijkheid om voor de omzetting van landbouwgrond in bos een subsidie aan te vragen is opgenomen in Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap.
Het POP2 vormt de vertaling van het Gemeenschappelijk Europese Landbouwbeleid (hierna: GLB) naar de Nederlandse situatie. Het huidige beleid geldt tot en met 2013. Eind 2011 heeft de Europese Commissie een voorstel voor het GLB voor de periode 2014-2020 gepresenteerd.23 Het voorstel voorziet onder meer in de vaststelling van een nieuwe (EU) verordening plattelandsontwikkeling, op basis waarvan lidstaten de gelden uit het Europese Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling kunnen inzetten. De inhoud van de nieuwe verordening stemt in belangrijke mate overeen met de huidige regels. Wel is de huidige verdeling van maatregelen over verschillende assen losgelaten.24