Einde inhoudsopgave
De beveiliging van persoonsgegevens (O&R nr. 135) 2022/5.2.2.2
5.2.2.2 Beperking van grondrechten - de eisen uit art. 52 Hv
mr. J.A. Hofman, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. J.A. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS661013:1
- Vakgebied(en)
Privacy (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de beperkingen aangaande dit recht bijv. Cuyvers 2017.
Dit kan worden afgeleid uit art. 52 Hv, maar ook uit rechtspraak van het HvJ EU. Zie t.a.v. het recht op de bescherming van persoonsgegevens bijv. preambule AVG, o. 4; HvJ EU 9 november 2010, ECLI:EU:C:2010:662, pt. 85 (Volker en Schecke); HvJ EU 12 juni 2003, ECLI:EU:C:2003:333, pt. 80 (Schmidberger); HvJ EU 24 november 2011, ECLI:EU:C:2011:777, pt. 42 (ASNEF & FECEMD), t.a.v. het recht op de eerbiediging van het privéleven de structuur van art. 8 EVRM en t.a.v. het recht op de vrijheid van ondernemerschap HvJ EU 22 januari 2013, ECLI:EU:C:2013:28, pt. 45 (Sky Österreich GmbH v. Österreichischer Rundfunk); HvJ EU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:989, pt. 50 (Polkomtel); Toelichtingen bij het Handvest, toelichting ad art. 16. Rechten met een absoluut karakter (zoals het verbod van folteringen) kunnen niet worden beperkt (HvJ EG 12 juni 2003, ECLI:EU:C:2003:333, pt. 80 (Schmidberger)). Dawson 2017, §2.2; Lenaerts 2019, §B.II & D.
Zie bijv. HvJ EU 24 september 2019, ECLI:EU:C:2019:772, pt. 60 (Google v. CNIL).
Beperkingen op rechten die corresponderen met EVRM-rechten moeten ook voldoen aan de eisen die het EVRM aan de beperkingen op het betreffende grondrecht stelt (Art. 52 lid 3 Hv. Zie ook FRA 2018, p. 77).
Dit is een zogenoemde horizontale beperkingsclausule. Zie bijv. Lenaerts 2012, p. 388 en Gonzáles Fuster & Gutwirth 2013, §2 en in gelijke zin Van Danwitz & Paraschas 2017, §IV en Greer, Gerards & Slowe 2018, p. 135.
Bijv. HvJ EU 17 april 2018, ECLI:EU:C:2018:257, pt. 80-81 (Egenberger).
Zie §5.2.3.1, §5.2.3.2 en §5.2.3.3 en §5.3.2.
Het HvJ EU en de nationale rechters die dit ten uitvoer leggen moeten hier rekening mee houden (art. 51 Hv).
Zie over de open formulering van deze bepalingen §2.3.2.
Zie §5.2.3, §5.2.4 en §5.2.5.
Zie bijv. Concl. P. Cruz Villalón 14 april 2011, ECLI:EU:C:2011:255, pt. 95-99 (Scarlet Extended SA); Lenaerts 2012, p. 389; FRA 2018, p. 71; Lock 2019, p. 2252.
HvJ EU 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:559, pt. 175 (Schrems II).
De termen ‘kern’ en ‘wezenlijke inhoud’ mogen door elkaar worden gebruikt (HvJ EU 27 februari 2014, ECLI:EU:T:2014:93, pt. 200 (Ezz e.a. v. de Raad)). Zie ook Brkan 2018, introduction; Lenaerts 2019, §A. Zie t.a.v. van alle termen waarmee naar de wezenlijke inhoud van een grondrecht wordt verwezen (ook door het EHRM) o.a. Brkan 2018, introduction en Van Drooghenbroeck & Rizcallah 2019.
Het EHRM deed dit voor het eerst in The Belgian Linguistic Case (EHRM 23 juli 1968, ECLI:CE:ECHR:1968:0723JUD000147462, pt. 1.B.5). Zie over het principe in de context van het EVRM Nieuwenhuis 2012, §3; Brkan 2018, p. 348 e.v.; Van Drooghenbroeck & Rizcallah 2019, §B. Overigens komt het principe ook terug de uitspraken van het HvJ EU over beperkingen op de algemene beginselen van de EU. De formulering van art. 52 Hv is hierop gebaseerd (Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten, toelichting ad art. 52 lid 1 Hv). Zie over het beginsel in het nationale rechtsstelsel de komende voetnoten.
Zie bijv. Tridimas & Gentile 2019 en Porcedda 2019, §I. Tijdens de vormgeving van het Handvest was al duidelijk dat verschillende EU-landen niet hetzelfde onder dit principe verstonden (zie hierna). Het principe is daardoor vele malen geherformuleerd en op enig moment zelfs uit art. 52 Hv gehaald (zie hierover Brkan 2018, introduction).
Zie Brkan 2017, §2.1; Dawson, Lynskey & Muir 2019, §B.II; Dalla Corte 202 §VI. Dit houdt verband met nationale verschillen t.a.v. het principe. De absolute visie klinkt door in o.a. de Duitse, Portugese en Spaanse benaderingswijze, de relatieve in de Hongaarse, Franse en Oostenrijkse. Zie Brkan 2017, p. 7-8, Lenaerts 2019, §A en Brkan 2019, §B.IA. Hierdoor bieden nationale tradities onvoldoende houvast voor de uitleg van ‘wezenlijke inhoud’ (Brkan 2018, p. 345).
Voor de absolute lezing wordt gepleit in bijv. Tzanou 2017, §1.IV.C.iii; Brkan 2019, §§B.IA en B.II en Lenaerts 2019. De relatieve lezing wordt bijv. bepleit met betrekking tot het recht op gelijke behandeling (dat zich niet met de absolute lezing zou laten verenigen). Zie Muir 2019 (i.h.b. §1.1). Zie verder (impliciet) Groussot, Pétursson & Pierce 2020, §2. Ook wordt zij wel gelezen in Concl. P. Cruz Villalón 4 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:363, pt. 115-116 (zie Lock 2019, §3). Zij zou meebrengen dat het principe geen duidelijke meerwaarde heeft, zie Brkan 2019, §B.IA; Dawson, Lynskey & Muir 2019, §B.II.
Er is weinig op het Europese recht gerichte literatuur waarin is beargumenteerd dat het Handvest uitgaat van de relatieve theorie (zie voor een uitzondering de vorige voetnoot). Wel is meermaals bepleit dat het onderscheid tussen de relatieve en absolute lezing vooral theoretisch is. Ook bij de relatieve lezing mag doorgaans geen inbreuk op de kern van het grondrecht worden gemaakt. Een inbreuk hierop wordt dan echter niet benaderd als een ‘inbreuk op de wezenlijke inhoud’ maar als een disproportionele inbreuk (bijv. Rivers 2006, zie verder over dit standpunt ook Brkan 2018, p. 335 en de daar aangehaalde literatuur). Zie anders Lenaerts 2019, §B.III, die meent dat de wezenlijke-inhoudstoets en de proportionaliteitstoets strikt gescheiden moeten blijven (naar mijn inschatting terecht, ze worden immers afzonderlijk van elkaar in art. 52 Hv genoemd).
Art. 52 Hv.
Dit doet het HvJ EU onder meer t.a.v. het recht op de vrijheid van ondernemerschap (HvJ EU 18 juli 2013, ECLI:EU:C:2013:521, pt. 35 (Alemo-Herron e.a.), waarover in §5.2.5 meer) en t.a.v. het recht op de eerbiediging op de persoonlijke levenssfeer (HvJ EU 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:650, i.h.b. pt. 91-95 (Schrems I), zie §5.2.4). In deze laatste uitspraak verklaarde het HvJ EU een regeling ongeldig, om onder meer deze reden. Zie hierover Ojanen 2016; Brkan 2018, p. 260 e.v. en Lenaerts 2019, §B.I.
In gelijke zin Ojanen 2016, p. 326; Lenaerts 2019, §D. Zie ook Brkan 2019, §B.II en Lock 2019, §3, die extra argumenten aandragen voor deze uitleg. In het kader van het EVRM wordt dezelfde conclusie getrokken: Van Drooghenbroeck & Rizcallah 2019, §B.
Ojanen 2016, p. 326; Tzanou 2017, 1.IV.C.iii. Ook Brkan 2018, p. 356 e.v. lijkt dit te bepleiten.
Zie bijv. zie HvJ EU 27 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:586, pt. 58 (Spasic) en hierover Brkan 2018, p. 363 e.v., en Lenaerts 2019, §D. Brkan voegt hier nog een tweede eis aan toe: naar haar mening zal een inmenging slechts in de wezenlijke inhoud van een grondrecht schenden indien zij (a) afdoet aan het grondrecht ‘als zodanig’ en (b) er geen dwingende redenen voor deze afbreuk kan bestaan. Zij geeft aan dat de toepassing van de tweede eis in bijv. de Schrems I-uitspraak tot een andere uitkomst zou leiden. Het door haar geformuleerde vereiste lijkt echter een proportionaliteitstoets te bevatten, wat m.i. slecht te verenigen zou zijn met de (zojuist in de hoofdtekst beschreven) algemene visie op het principe van de wezenlijke inhoud.
Art. 4 Hv en HvJ EG 12 juni 2003, ECLI:EU:C:2003:333, pt. 80 (Schmidberger).
Zie over grondrechten die ‘all essence’ zijn bijv. Dawson 2017, §2.2; Lenaerts 2019, §B.II & D; Dawson, Lynskey & Muir 2019, §B.II.
Zie hierover bijv. Brkan 2018, p. 350/361; Van Drooghenbroeck & Rizcallah 2019 en Lock 2019, §3. Voor de Nederlandse wetgever deze onduidelijkheid over het ‘kernrecht’-principe een reden geweest om dit principe niet in de Grondwet op te nemen (Kamerstukken II 1976/77, 13872, 3, p. 19). Zie hierover bijv. Nieuwenhuis 2012, §1.
Toelichtingen bij het Handvest, ad art. 52 Hv. Zie ook bijv. Lenaerts 2012, p. 389.
Lenaerts 2012, p. 392.
Zie hierover Lenaerts 2012, p. 392 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie.
FRA 2018, p. 74 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie. Zie verder Lenaerts 2012, p. 392 en Lock 2019, p. 2252.
Zie over deze interne markt §5.2.5 en §5.3.3.
FRA 2018, p. 46.
Zie o.a. HvJ EU 17 april 2018, ECLI:EU:C:2018:257, pt. 80 (Egenberger). Hieruit blijkt ook dat dit ook geldt in gevallen tussen particulieren.
Zie bijv. Tridimas 2006, hfdst. 3, 4 en 5; Reich 2014, hfdst. 6; Craig & De Búrca 2020, §15.4(B); Hoffmann 2017, §8.3.1.
Hoewel deze onderdelen in de juridische literatuur vaak van elkaar worden onderscheiden, valt op dat het HvJ EU deze drie toetsen niet altijd van elkaar onderscheidt en ze ook niet altijd allemaal bespreekt. Zie hierover Tridimas 2006.
Lock 2019, p. 2252. Zie verder Tridimas 2006, §3.2; Reich 2014, p. 157 e.v.; Craig & De Búrca 2020, §16.4(B); Hoffmann 2017, §8.3.1.
Barak 2012, p. 743.
Lock 2019, p. 2252. Zie voor een uitgebreidere toepassing van dit criterium in de context van het recht op de bescherming van persoonsgegevens en het recht op de eerbiediging van het privéleven HvJ EU 17 oktober 2013, ECLI:EU:C:2013:670, pt. 40 e.v. (Schwarz).
Zo zal uit de rest van dit hoofdstuk blijken.
Lock 2019, p. 2252. Zie verder Tridimas 2006, §3.2; Reich 2014, p. 157 e.v.; Craig & De Búrca 2020, §16.4(B); Hoffmann 2017, §8.3.1. Zie in de context van het persoonsgegevensbeschermingsrecht onder meer HvJ EU 7 november 2013, ECLI:EU:C:2013:715, pt. 32 (IPI); HvJ EU 27 september 2017, ECLI:EU:C:2017:725, pt. 112 (Puškár); HvJ EU 2 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:788, pt. 55 (Ministerio Fiscal) en de hierin aangehaalde jurisprudentie.
Barak 2010, §B. Wat wordt gewonnen met de beperking, dient al met al in verhouding te staan met hetgeen aan grondrechtenbescherming wordt verloren.
Tridimas 2006, §3.2; Craig & De Búrca 2020, §16.4(B).
Zie bijv. HvJ EG 29 januari 2008, ECLI:EU:C:2008:54, pt. 68 (Promusicae).
HvJ EU 16 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:485, pt. 35 (Coty) en de daar aangehaalde jurisprudentie. De grondrechten moeten zich ‘met elkaar verzoenen’ (HvJ EG 16 december 2008, ECLI:EU:C:2008:727, pt. 53 (Satamedia)). Brkan verduidelijkt de systematiek van de grondrechten van het Handvest aan de hand van de beeldspraak van een ui. Hierbij is de buitenste laag van de ui het volledige, onaangetaste grondrecht, de laag daaronder die van een gerechtvaardigde inbreuk en die daarna die van de ongerechtvaardigde inbreuk (ofwel schending). Daaronder zit een, ‘ernstige’, ‘zeer zware en bijzonder ruime’ of ‘bijzonder zware’ inmenging in het grondrecht (deze terminologie is niet altijd eenduidig, zie bijv. HvJ EU 8 april 2014, ECLI:EU:C:2014:238, pt. 37 en 39 (Digital Rights Ireland)). De kern van de ui is de inmenging in de wezenlijke inhoud van het grondrecht (Brkan 2018, introductie).
Dit is ook in het kader van het persoonsgegevensbeschermingsrecht overwogen. Zie HvJ EU 4 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:336, pt. 31 (Rīgas satiksme).
De rechten op de bescherming van persoonsgegevens, de eerbiediging van het privéleven en de vrijheid van ondernemerschap hebben geen absoluut karakter. Ook de rechten die met het vrije verkeer (van diensten) samenhangen zijn relatief.1 Zij dienen te worden beschouwd in relatie tot hun functie in de maatschappij en kunnen aan beperkingen worden onderworpen.2 Dergelijke beperkingen moeten voldoen aan de eisen die het Handvest daaraan stelt.3 Voor alle in het Handvest erkende grondrechten gelden dezelfde beperkingsvoorwaarden.4 Zij volgen uit art. 52 lid 1 Hv (zie de tussenkopjes hierna voor de verschillende criteria).5 Deze eisen zijn ook tussen particulieren van belang.6
Hierna zal blijken dat de AVG voor meerdere grondrechten en fundamentele vrijheden beperkingen meebrengt.7 Of de beperkingen die de AVG meebrengt met art. 52 Hv in overeenstemming zijn, is niet zonder meer op basis van de tekst van de AVG te zeggen. De AVG laat in verschillende bepalingen ruimte voor interpretatie. De relevante rechten en vrijheden worden alleen geëerbiedigd als deze bepalingen na interpretatie in overeenstemming zijn met de eisen die art. 52 Hv aan grondrechtenbeperkingen stelt.8 Bij de invulling van de AVG-beveiligingsbepalingen moet hier dan ook rekening mee worden gehouden.9
Bij de beoordeling van het persoonsgegevensbeschermingsrecht in het licht van art. 52 Hv besteedt het HvJ EU veel aandacht aan de beveiliging van persoonsgegevens. Deze overwegingen gaan niet over de invulling van art. 5 lid 1 onder f en 32 AVG, maar over de rol van beveiliging bij de waarborging van grondrechten. De eisen die het HvJ EU in dit kader aan persoonsgegevensbeveiliging stelt, zullen echter wel gelden als minimumeisen bij de invulling van art. 5 lid 1 onder f en 32 AVG. Ook los hiervan geven ze houvast bij de invulling van de AVG-beveiligingsbepalingen.10 Zo verduidelijken zij welke elementen van persoonsgegevensbeveiliging van belang zijn voor grondrechtenwaarborging.
De beperking moet bij wet zijn gesteld
De grondrechten en fundamentele vrijheden die in het Handvest worden erkend, mogen alleen door middel van een wet worden beperkt. Slechts indien er sprake is van een wettelijke basis kan een grondrechteninmenging gerechtvaardigd zijn. Om als ‘wet’ te kunnen worden gekwalificeerd, moet een regeling onder meer voldoende duidelijk en voorzienbaar zijn voor wat betreft de betekenis en aard van de maatregelen die zij bevat.11 Zij moet zelf de reikwijdte bepalen van de beperking op de uitoefening van een grondrecht.12 De regeling hoeft geen wet in formele zin te zijn.
Voor zover de AVG grondrechten en fundamentele vrijheden beperkt, is met de AVG aan het vereiste van een ‘wet’ voldaan. Een nadere bespreking van de eis biedt geen inzicht in de invulling van de AVG-beveiligingsbepalingen. De voorwaarde zegt immers niets over de uitleg van de regels van de AVG. Ik ga daarom niet verder in op deze voorwaarde.
De beperking moet de wezenlijke inhoud van het beperkte recht eerbiedigen
Een regeling waarmee een grondrecht wordt beperkt, moet de wezenlijke inhoud van dit recht eerbiedigen. De AVG-(beveiligings)bepalingen moeten dus zo worden uitgelegd dat geen enkel grondrecht dat met de AVG wordt beperkt in zijn kern wordt geschaad.13
Het idee dat bij de beperking van een grondrecht de ‘wezenlijke inhoud’ van het recht dient te worden geëerbiedigd, is niet exclusief voor het Handvest. Dit principe komt terug in de nationale rechtsstelsels van vele EU-lidstaten en in de rechtspraak van het EHRM (zij het veelal iets anders geformuleerd).14 Desondanks (of misschien wel: hierdoor) is ‘wezenlijke inhoud’ geen eenduidige term.15
Er zijn twee theorieën over de betekenis en functie van dit principe.16 Kortgezegd gaat de eerste ervan uit dat ieder grondrecht een onaantastbare kern heeft die niet vanuit proportionaliteitsoverwegingen kan worden beperkt (de absolute lezing), terwijl de tweede opvatting meebrengt dat de kern van een grondrecht, net als de rest daarvan, wel om redenen van proportionaliteit kan worden beperkt (de relatieve visie).17
Hoewel er in de literatuur enige discussie bestaat over wat de juiste lezing is,18 geven zowel de tekst van het Handvest als de wijze waarop het HvJ EU deze tekst uitlegt uiting aan de eerste theorie. In dit kader bepaalt het Handvest zonder verdere nuancering dat beperkingen de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen.19 Het HvJ EU verbindt in lijn hiermee conclusies aan een wezenlijke inhoudsschending zonder na te gaan of deze aantasting proportioneel en gerechtvaardigd is (terwijl het deze toets wel aanlegt bij een ‘gewone’ grondrechteninmenging).20
De discussie over het wezenlijke-inhoudsprincipe gaat dus eigenlijk meer over wenselijk recht dan over het geldende recht. Ik ga er daarom vanuit dat art. 52 Hv bepaalt dat grondrechtbeperkende regelingen de wezenlijke inhoud van de grondrechten uit het Handvest onder geen beding mogen schenden.21 Het principe van de wezenlijke inhoud begrenst zo de beperkingsruimte die ten aanzien van een relatief grondrecht bestaat, en biedt aldus enkele algemene, absolute grenzen waarmee rechters, toezichthouders, verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers rekening moeten houden bij de invulling en toepassing van de AVG-(beveiligings)bepalingen.
Of de wezenlijke inhoud van een grondrecht in een specifiek geval is geschonden, is afhankelijk van de omstandigheden van dat geval. De wezenlijke inhoud van een grondrecht kan niet in het algemeen en aan de hand van alleen objectieve factoren worden vastgesteld.22 Een veelgebruikte toets bij de beoordeling van een potentiële wezenlijke-inhoudschending is of een recht ‘als zodanig’ is aangetast.23 In wat voor situaties dat het geval is, verschilt per recht. Zo zijn absolute rechten, zoals het verbod van folteringen, ‘all essence’.24 Relatieve rechten zoals het recht op de eerbiediging van het privéleven, het recht op de bescherming van persoonsgegevens en het recht op vrijheid van ondernemerschap bestaan uit zowel essentiële als niet-essentiële elementen.25 Het is niet gemakkelijk de wezenlijke inhoud van deze rechten vast te stellen.26 Ik ga hier bij de besprekingen van de grondrechten (in de komende paragrafen) verder op in. Daarbij zal blijken dat art. 5 lid 1 onder f en 32 AG van belang zijn voor de waarborging van in ieder geval de wezenlijke inhoud van de rechten op de bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van het privéleven.
De beperking moet zijn gesteld ten gunste van door de EU erkende doelstellingen van algemeen belang of de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen
Beperkingen op de in het Handvest erkende grondrechten en fundamentele vrijheden zijn alleen rechtmatig als ze ten goede komen aan een legitiem doel. Er zijn twee soorten legitieme doelen. De eerste is de door de EU erkende doelstellingen van algemeen belang. Hieronder vallen alle in art. 3 VEU genoemde doelen en de door specifieke Verdragsbepalingen beschermde belangen.27 De tweede is de eerbiediging van andere rechten en vrijheden.28 Het gaat hierbij niet alleen om grondrechten en fundamentele vrijheden, maar ook om andere rechten en vrijheden die uit het EU-recht voortvloeien, zoals rechten die samenhangen met de vrije verkeersbepalingen en het Europese burgerschap.29
Vanwege de veelheid en uiteenlopendheid van legitieme doelen is deze voorwaarde vaak gemakkelijk vervuld.30 Het legitieme doel ter waarborging waarvan de AVG grondrechten beperkt, kan bijvoorbeeld zowel de eerbiediging van andere grondrechten zijn als de totstandkoming van de interne markt.31 Waarschijnlijk geeft art. 6 AVG, waarin de EU-wetgever de mogelijke grondslagen voor verwerkingen heeft geformuleerd, hier meer inzicht in. Aangezien het legitieme doel-vereiste verder geen inzicht verschaft in de invulling van de AVG-beveiligingsbepalingen, ga ik niet verder op dit vereiste in.
De beperkingen moeten, in overeenstemming met de eisen van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk en geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken
De laatste vereisten uit art. 52 lid 1 Hv verwijzen gezamenlijk naar het evenredigheidsbeginsel, ook wel het proportionaliteitsbeginsel genoemd.32 Het evenredigheidsbeginsel brengt, kort gezegd, mee dat de bij een beperking betrokken belangen met elkaar in evenwicht moeten zijn.33 Het beginsel is een van de belangrijkste algemene beginselen uit het EU-recht.34 Er is zo veel over dit beginsel geschreven, dat een uitgebreide behandeling ervan het bestek van dit boek te buiten valt. Daarom volsta ik op deze plek met een bespreking van de grote lijnen van dit principe. Daarbij ga ik in op de verschillende elementen ervan: de geschiktheidstoets, de noodzakelijkheidstoets en de proportionaliteitstoets sensu stricto (de proportionaliteitstoets in strikte zin).35 In de volgende paragrafen spits ik de uitwerking van deze toetsen toe op de grondrechten die ik daarin bespreek.
De eerste toets die deel uitmaakt van het evenredigheidsbeginsel is de geschiktheidstoets. De vraag die hierbij centraal staat, is of de ter discussie staande grondrechtenbeperking past bij het legitieme doel dat zij dient. Van dergelijke passendheid is sprake indien er een rationele connectie bestaat tussen het beoogde doel en de maatregelen die ter realisatie daarvan zijn getroffen.36 Het middel hoeft het doel niet volledig of op een efficiënte wijze te realiseren. Voldoende is dat het middel de potentie heeft het doel te bereiken op een wijze die niet slechts marginaal of theoretisch is.37 De geschiktheidstoets levert doorgaans dan ook geen probleem op voor de evenredigheid van een grondrechtenbeperking.38 Opvallend is trouwens dat ‘geschikt’, net als ‘passend’ uit art. 5 lid 1 onder f AVG en 32 AVG, een vertaling is van het Engelse ‘appropriate’. Toch moeten deze twee begrippen naar mijn mening verschillend worden uitgelegd. Dit komt voornamelijk doordat de AVG-beveiligingsbepalingen ook van belang zijn in het kader van de andere eisen uit art. 52 Hv.39
Het tweede onderdeel van het evenredigheidsbeginsel gaat over de noodzakelijkheid van een grondrechtenbeperking. Een beperking van een grondrecht moet noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het ermee nagestreefde legitieme doel. Dit betekent dat zij niet verder mag gaan dan nodig is voor het beoogde positieve effect. Ook mag er geen andere, minder ingrijpende manier bestaan om hetzelfde resultaat te bereiken.40
Het laatste element van het evenredigheidsbeginsel is de proportionaliteitstoets in strikte zin, ook wel de proportionaliteitstoets sensu stricto. Hierbij moet een balans bestaan tussen de bij een grondrechtenbeperking betrokken belangen. Anders dan bij de geschiktheids- en noodzakelijkheidstoets, dient deze balans niet te worden gevonden tussen het doel en het middel, maar tussen het met het middel bereikte voordeel en het ermee teweeggebrachte nadeel.41 Indien met een beperking op een excessieve wijze wordt afgedaan aan een recht, is niet aan dit vereiste voldaan.42 Art. 5 lid 1 onder f en 32 AVG mogen dus niet leiden tot een onevenredige aantasting van rechten.43 Bij de uitleg van deze bepalingen moet daarom worden gekeken naar de rol van persoonsgegevensbeveiliging bij de waarborging van de betrokken rechten en moet met inachtneming daarvan een juist evenwicht worden verzekerd tussen alle betrokken grondrechten, fundamentele vrijheden en andere legitieme doelen. Daarbij is het uitgangspunt dat op geen van de betrokken grondrechten een ernstige inbreuk mag worden gemaakt.44 Wanneer er een juist evenwicht tussen alle betrokken belangen bestaat, is sterk situatieafhankelijk.45