Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.1
5.1 Inleiding
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS506121:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 27 mei 1994, NJ 1994/590, r.o. 3.5 (Lambregts/IHM).
Zie bijvoorbeeld Schlössels 2004 en Scheltema & Scheltema 2013, p. 350-351.
De grondslagen voor aansprakelijkheid wegens het verstrekken van onjuiste inlichtingen die zijn gelegen in bijzondere wettelijke aansprakelijkheidsbepalingen (paragraaf 4.3) blijven in dit hoofdstuk buiten bespreking. Aangenomen mag worden dat de toerekenbaarheid in beginsel is gegeven wanneer zich een situatie zoals bedoeld in artikel 117 Kadasterwet of de artikelen 13 en 17 Wkpb voordoet. Het vereiste van toerekenbaarheid is ook daar echter niet geheel zonder betekenis, omdat in de genoemde bepalingen geen zuivere risicoaansprakelijkheid is neergelegd. Vgl. Hof Arnhem 11 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH6005, r.o. 4.7 (Doorhaling executoriaal beslag I) en Kamerstukken I 2003/04, 28218, A, p. 12.
In artikel 6:162 lid 1 BW is bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade te vergoeden die de ander dientengevolge lijdt. Uit de formulering van dit artikellid blijkt dat de aanwezigheid van een onrechtmatige gedraging onvoldoende is voor het aannemen van een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige daad. De vaststelling van een schending van het geschreven of ongeschreven recht (hoofdstuk 4) roept op zichzelf nog geen aanspraak op schadevergoeding in het leven. Zij houdt slechts een – in beginsel objectieve – kwalificatie van die gedraging in.1 Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is daarnaast vereist dat de gepleegde onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan de dader. Wanneer dit het geval is, is uitgewerkt in artikel 6:162 lid 3 BW. Een onrechtmatige daad kan blijkens dit artikellid aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Er zijn dus drie toerekeningsgronden.
Voor het overheidsaansprakelijkheidsrecht – en met name voor het besluitenaansprakelijkheidsrecht – wordt wel verdedigd dat het vereiste van toerekenbaarheid nauwelijks een rol van betekenis speelt.2 In dit hoofdstuk zal worden onderzocht of dit uitgangspunt ook geldt wanneer de aansprakelijkheid van de overheid berust op het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie.3 In paragraaf 5.2 worden enige algemene opmerkingen over de toerekening van een onrechtmatige daad gemaakt. De toerekening van onrechtmatige informatieverstrekking staat centraal in de volgende paragrafen. In paragraaf 5.3 wordt de beschikbare rechtspraak besproken en in paragraaf 5.4 de opvattingen in de literatuur. De schaarse rechtspraak en literatuur bieden echter onvoldoende houvast om op basis daarvan algemene uitspraken te doen over de wijze van toerekening van onrechtmatige informatieverstrekking aan de dader. In paragraaf 5.5 wordt daarom aandacht besteed aan de gronden voor toerekening van enige andere overheidsgedragingen, te weten onrechtmatige besluitvorming (paragraaf 5.5.1), onrechtmatige wetgeving (paragraaf 5.5.2) en onrechtmatig strafvorderlijk optreden (paragraaf 5.5.3). Paragraaf 5.6 bevat een samenstelling van de gezichtspunten uit de vorige paragrafen, aan de hand waarvan wordt besproken wanneer onrechtmatige informatieverstrekking toerekenbaar is (paragraaf 5.6.1) en wanneer niet (paragraaf 5.6.2).