Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/2.1
2.1 Inleiding
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254459:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie echter art. 2:247 lid 1 BW, waarin een erkenning van dit wisselen van petten ligt besloten en dat bepaalt rechtshandelingen tussen de vennootschap en de enig aandeelhouder waarbij de vennootschap (als bestuurder, art. 2:240 lid 1 BW) door deze enig aandeelhouder wordt vertegenwoordigd, schriftelijk moeten worden vastgelegd op straffe van nietigheid. De gedachte daarbij is dat bij een dergelijke eenpersoonsvennootschap het gevaar bestaat dat de enig aandeelhouder te eigen bate handelingen verricht, maar die nadelig zijn voor de schuldeisers, zie Kamerstukken II 1990/91, 21 959, nr. 3, p. 4 (MvT).
Zie hoofdstuk 5.
Het merendeel van de in Boek 2 BW geregelde rechtspersonen heeft een zogenoemde duale structuur. De organisatie van de vennootschap bestaat uit in ieder geval twee organen.1 Uit de wet vloeit voort dat de organisatie van de besloten vennootschap steeds bestaat uit een vergadering van aandeelhouders (AV) en een bestuur. In rechtseconomische theorieën wordt dit onderscheid wel aangeduid als separation of ownership and control, een scheiding tussen eigendom en controle binnen de vennootschappelijke structuur. Vertaald naar het Nederlandse vennootschapsrecht kan simplistisch worden gesteld dat de AV het equivalent vormt van de eigenaar van de vennootschap en het bestuur de controlerende taak, in de zin van besturen, voor zijn rekening neemt. Daarbij moet worden bedacht dat ons vennootschapsrecht slechts een formele scheiding van beide rollen vereist. De rol van AV en bestuurder kunnen in de praktijk feitelijk in één hand gaan. Niettemin gaat de wet ervan uit dat degene die beide rollen vervult, steeds zijn (enig) aandeelhouderspet verwisselt voor de bestuurderspet wanneer de uit te oefenen taak of bevoegdheid volgens de wet aan één van beide organen is toebedeeld.2
Het bestuur draagt verantwoordelijkheid ten opzichte van zowel de vennootschap als derden die met de vennootschap handelen. Veronachtzaming van die verantwoordelijkheid kan uitmonden in een persoonlijke aansprakelijkheid jegens de vennootschap, maar ook jegens bedoelde derden. Met name deze laatste aansprakelijkheid heeft nogal wat voeten in de aarde, nu deze derden in beginsel niet handelen met de bestuurder, maar met de vennootschap. Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap en diens handelen wordt aan de vennootschap toegerekend. Ingevolge artikel 2:5 BW is de rechtspersoon zelfstandig drager van rechten en plichten en daarmee zelf schuldenaar van zijn contractuele en buitencontractuele verbintenissen jegens deze derden, aangegaan door het bestuur. Op grond van artikel 3:276 BW is dan ook in beginsel slechts het vermogen van de vennootschap vatbaar voor verhaal door deze derden. Algemeen is echter aanvaard dat onder bijzondere omstandigheden ook de bestuurder persoonlijk kan worden aangesproken, zodat diens vermogen in feite eveneens voor verhaal van verbintenissen van de vennootschap vatbaar kan worden.
De wet kent verschillende (bijzondere) wettelijke grondslagen voor aansprakelijkheid van bestuurders. Aansprakelijkheid van een bestuurder kan daarnaast ook worden gebaseerd op de onrechtmatige daad. Ook aandeelhoudersaansprakelijkheid is in de rechtspraak aanvaard.3 Echter, met name het leerstuk van bestuurdersaansprakelijkheid heeft zich in vergaande mate ontwikkeld. Daarom kan worden gesteld dat vooral aan de hoedanigheid van bestuurder aansprakelijkheden zijn verbonden, die door (of voor) derden die met de vennootschap hebben gehandeld, kunnen worden aangewend om enig door hen geleden nadeel te compenseren. Duidelijk is dat die aansprakelijkheden verband houden met de besturende functie, althans de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden. De ratio en achtergrond van dat verband zijn echter veel minder duidelijk en zal ik daarom hierna belichten. In dit hoofdstuk bespreek ik eerst het bestaan van een behoefte aan een organisatie binnen de vennootschap en ga ik in op het onderscheid tussen ownership en control. Daarna leg ik een verband tussen de rol van bestuurders en hun aansprakelijkheid. Doel van dit hoofdstuk is het schetsen van een algemeen kader over de verhouding tussen de organisatie van rechtspersonen enerzijds en aansprakelijkheid voor beleidsbepaling anderzijds, waarop in de volgende hoofdstukken zal worden voortgeborduurd.