Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.10.3
1.10.3 Bezwaren tegen het aannemen van een dominium dormiens
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645003:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 13, 6, 5, 15 (Ulpianus): “(…) Et ait duorum quidem in solidum dominium vel possessionem esse non posse: nec quemquam partis corporis dominum esse, sed totius corporis pro indiviso pro parte dominium habere (…).” “(…) Hij zegt dan dat de eigendom of het bezit niet voor het geheel bij twee personen kan berusten, en dat iemand ook niet eigenaar is van een deel van een lichamelijke zaak, maar dat hij de eigendom van de gehele lichamelijke zaak voor een onverdeeld aandeel heeft (…)”; Zie Windscheid I (1891), p. 502; Dernburg (1902), p. 455; Van Hemel (1998), p. 11.
Brinz (1873), p. 556. Brinz lijkt een afkeer te hebben van het woord “slapend”. Om het bestaan van slapende eigendomsrechten te ontkrachten verwijst hij onder andere naar Instituten 2, 1, 29 en Theophilus, die zeggen dat de eigenaar van de materialen niet ophoudt eigenaar te zijn als die materialen zijn verwerkt in een huis. Brinz stelt: “(…) mann kann Jemand Dominus nennen, der es war, von einem Eigenthum, das nicht auf immer aufgehört hat, sagen, daβ es nicht aufgehört hat.” Komt dit niet neer op het aannemen van een slapend eigendomsrecht?
Brinz (1873), p. 556; Demelius (1872), p.104. Hij verwees naar D. 34, 2, 27, 2 (Ulpianus): “Argento omni legato, quod suum esset, sine dubio non debetur id, quod in credito esset: hoc ideo, quia non videtur suum esse, quod vindicari non possit [onderstreping, JCTF].” “Bij een legaat bestaande uit al het zilver dat eigendom van de erflater was, is men zonder twijfel niet verschuldigd wat hij als schuldeiser kan opeisen, en wel hierom, omdat men hetgeen niet met de eigendsomsactie kan worden opgeëist, niet als zijn eigendom kan beschouwen.”
Zie ook: Demelius (1872), p. 105 e.v.
Demelius (1872), p. 102.
Goudsmit, De Gids/1872, p. 42.
Het belangrijkste bezwaar tegen de constructie van het slapende eigendomsrecht op een bestanddeel is wel dat op één zaak verschillende eigendomsrechten zouden rusten. Dat druist in tegen het Romeinsrechtelijke uitgangspunt dat op één zaak één eigendomsrecht rust (dominium totius rei).1 Naast het slapende eigendomsrecht op een bestanddeel, rustte immers óók een eigendomsrecht op de gehele zaak. In de constructie van een slapend eigendomsrecht op bijvoorbeeld de diamant in een ring, zouden er twee eigendomsrechten zijn, namelijk een eigendomsrecht op de samengestelde zaak en een slapend eigendomsrecht op de diamant. Het eigendomsrecht, dat op de gehele zaak rustte, was echter het enige waaraan rechtsgevolgen verbonden waren. Alleen de eigenaar van de hoofdzaak kon de revindicatie instellen. Brinz liet zich naar eigen zeggen dan ook niet door het fenomeen “slapend eigendomsrecht” gek maken:
“Wir unserseits lassen uns durch jene für ein bloss ‘schlafendes Eigenthum’ citirten Stellen noch immer ‘nicht irre’ machen; daβ Einer dominus totius rei, ein Anderer daneben Eigenthümer an einem Theil sei, ist unbegreiflich; daβ Einer Eigenthümer sein, und doch die Sache nicht soll ‘sein nennen’ mithin ipso jure nicht vindiciren können, ist andermals unbegreiflich und so unmöglich wie überhaupt Eigenthum ohne Vindicationsrecht.”2
De verbinding had volgens Brinz het eigendomsrecht teniet gedaan. Wie niet kon zeggen dat de zaak van hem was (res mea est), kon geen eigenaar zijn van de nagetrokken zaak.3 Een eigendomsrecht zonder een revindicatie was in zijn ogen onmogelijk.4 Demelius sloot zich hierbij aan. Dat het gedurende de gehele tijd van het formula-proces voor de eiser onmogelijk was om de revindicatie in te stellen, terwijl hij wel een slapend eigendomsrecht zou hebben, zou volgens Demelius “wirklich dem Gesetze der Trägheit zuviel Gewicht einräumen.”5 Als een slapend eigendomsrecht zou bestaan, dan zou ten tijde van het formula-proces afscheiding van een bestanddeel met een revindicatie gevorderd kunnen worden en was het niet nodig geweest om daarvoor de actio ad exhibendum te gebruiken, zo was de gedachte.6