Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.4:7.4 Beschouwing /conclusie
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.4
7.4 Beschouwing /conclusie
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS393982:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik onderzocht hoe de fiscale regels rondom financieringsaspecten er uitzien in de vennootschapsbelasting, respectievelijk de Körperschaftsteuer (en summier de Gewerbesteuer) en welke verschillen en overeenkomsten er bestaan tussen de fiscale behandeling van de onzakelijke lening en aftrekbare rente in beide landen.
In zowel Nederland als Duitsland wordt er in de vennootschapsbelasting en Körperschaftsteuer fiscaal een onderscheid gemaakt tussen vreemd vermogen en eigen vermogen. Wat dat betreft is er in beide landen op dit gebied dus geen sprake van financieringsneutraliteit (vergelijk de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader). In de Gewerbesteuer wordt wel financieringsneutraliteit nagestreefd. Dit wordt bewerkstelligd door financierings- en huurlasten maar gedeeltelijk in aftrek toe te laten (zie hoofdstuk 3.3.1.2).
Uit een analyse van wetgeving, parlementaire stukken, jurisprudentie en literatuur blijkt mijns inziens dat op hoofdlijnen in Nederland de volgende discussiepunten kunnen worden gedestilleerd:
De invulling en ontwikkeling van de onzakelijke leningleer door de rechter;
De lappendeken aan specifieke renteaftrekbeperkingen.
Zoals al toegelicht in hoofdstuk 7.2.4 heb ik er voor gekozen het bestaande onderscheid in de fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogens in beide landen als uitgangspunt te nemen. Dit punt komt bij de behandeling van de hierboven benoemde discussiepunten wel impliciet terug.
Ten aanzien van beide discussiepunten blijkt uit een analyse van de Duitse wettelijke bepalingen, jurisprudentie en literatuur dat de invulling van de onzakelijke leningleer en fiscale omgang met rente in Duitsland op een andere wijze geschiedt dan in Nederland. Dit maakt het uiteraard nog interessanter om te analyseren of de Duitse benadering aanbevelenswaardig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. Hieronder geef ik aan de hand van mijn toetsingskader (zie hoofdstuk 1.3.2.4) aan of Duitsland een rechtsregel (oplossing of benadering) heeft die aanbevelenswaardig is, of kan zijn, voor de vennootschapsbelasting ten aanzien van bovengenoemde discussiepunten.
7.4.1 Een wettelijke bepaling inzake de onzakelijke lening, een optie voor Nederland?7.4.2 De Duitse EBITDA-regeling; een optie voor Nederland?7.4.3 Schematisch overzicht huidige overeenkomsten en verschillen