Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.6.2.2
III.6.2.2 Aanleiding voor wijzigen overtredersbegrip
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460515:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, o.a. op p. 6, 7 en 77-82; zie ook par. 4.2 in Bleeker 2019b.
De wetgever verwijst voor de toelichting van de nieuwe overtrederschapsvormen naar de strafrechtelijke standaardarresten van de daderschapsvormen. Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 78-81; Kamerstukken I 2008/09, 31 124, nr. C, p. 3. Mollen & Klein 2015; Blomberg 2000, par. 11.2.2.
Zie bijvoorbeeld Blomberg 2000, p. 57-59; en Jansen in de noot bij HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, AB 2004/310 (Drijfmest).
Een terugkerend voorbeeld is de belastingadviseur, die niet gesanctioneerd kon worden als pleger omdat deze geen normadressaat is (Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 80).
Aangezien opdrachtgeven in wezen een beperktere verschijningsvorm van feitelijk leidinggeven is die in de praktijk nauwelijks een rol van betekenis speelt, zal in het navolgende enkel op feitelijk leidinggeven worden ingegaan.
De stelling van de wetgever dat ‘slechts degene tot wie een voorschrift zich richt, dit voorschrift kan overtreden’ is daarom eigenlijk onjuist. Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 78. Zie hieromtrent Bleeker 2019b, par. 2.3.
Zie bijvoorbeeld Wladimiroff 2009, p. 438. In de parlementaire geschiedenis van de Vierde tranche Awb wordt door de wetgever, onder verwijzing naar ABRvS (vz.) 24 februari 1984, ECLI:NL:RVS:1984:AH0280, AB 1984/480 (Booy Clean), opgemerkt dat de mogelijkheid om feitelijk leidinggevers te sanctioneren al langer wordt erkend: Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 81-82. Vergelijkbaar: Vermeer, Visser & Sibma 2016, p. 42.
De wetgever heeft bij de invoering van de Vierde tranche ervoor gekozen om een aantal strafrechtelijke daderschapsvormen van overeenkomstige toepassing te verklaren in het bestuursrecht. Daarvoor zijn in ieder geval drie redenen te onderscheiden.1 De eerste reden is eenvoudig en praktisch van aard: de wetgever heeft beoogd om onnodige verschillen met andere rechtsgebieden te voorkomen.2
De tweede reden is dat het ‘oude’ overtredersbegrip op een gegeven moment ging knellen. Aanvankelijk stond het bestuursrecht in het teken van het herstellen van een onrechtmatige toestand. Omdat de sanctionering geen punitief karakter had, speelde verwijtbaarheid van de overtreder geen rol van betekenis en daardoor kon de bestuursrechter redelijk losjes omgaan met het toerekenen van overtredingen. Gaandeweg kreeg het bestuursrecht echter steeds meer punitieve mogelijkheden, en bij deze ontwikkeling past het dat hogere eisen worden gesteld aan overtrederschap. Voor inspiratie keek men steeds meer naar de strafrechtelijke systematiek.3
Ten derde bestond de behoefte om de handhaving van bestuursrechtelijke normen te verbeteren en te vergemakkelijken door middel van aansprakelijkheidsfiguren die het mogelijk maken om betrokkenen te sanctioneren die niet eigenhandig of niet alleen de volledige delictsgedraging verrichten, of geen adressaat waren van de norm.4 Dit werd bereikt door de introductie van enkele strafrechtelijke deelnemingsfiguren, te weten medeplegen, opdrachtgeven5 en feitelijk leidinggeven (art. 5:1 lid 2 en 3 Awb jo. 51 lid 2 en 3 Sr). Vóór de Vierde tranche Awb moest de overtreder zélf normadressaat zijn van het geschonden voorschrift en alle bestanddelen van de delictsomschrijving vervullen, door de intrede van de strafrechtelijke deelnemingsfiguren is dat niet langer het geval.6 De kring van mogelijke overtreders is daarmee verruimd. De schematische weergave van overtrederschap in paragraaf III.8.2 kan de verandering verhelderen en geeft de huidige situatie overzichtelijk weer.
Soms wordt gesteld dat de verruiming van het overtredersbegrip of de invoering van deelnemingsfiguren slechts een codificatie is van vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie.7 Mijns inziens is er echter geen sprake van een codificatie, maar heeft de wetgever duidelijk een koerswijziging teweeggebracht. Zo is de toets voor de toerekening van een verboden gedraging aan de functionele pleger aanzienlijk veranderd, en was het vóór de Vierde tranche Awb niet mogelijk om feitelijk leidinggevers of medeplegers aan te merken als overtreder. Dat zal ik hierna toelichten.