Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/11.1.6
11.1.6 Praktische relevantie
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298010:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de hiernavolgende opsomming Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 66.
In het Ontwerp Meijers was nog een derde lid bij het huidige artikel 3:4 BW opgenomen, dat erin voorzag de verkoper van een roerende zaak die de eigendom voorbehield de koopakte in te laten schrijven in de openbare registers, waardoor de roerende zaak geen bestanddeel zou worden van een onroerende zaak waar deze werd geplaatst. Dit artikel is uiteindelijk niet in het huidige wetboek opgenomen. Zie voor kritiek op het schrappen van de regeling de literatuur bij Heyman 1974, p. 472.
Zie bijvoorbeeld de casus die aanleiding gaf tot het hierna te bespreken arrest HR 15 november 1991, NJ 1993/316 (Dépex/Curatoren Bergel c.s.).
445. De praktische relevantie van bestanddeelvorming is erin gelegen dat de bestanddelen van een zaak geen zelfstandig bestaan meer hebben, maar voor alles het lot van de zaak volgen waar zij onderdeel van zijn.1 Dit betekent dat goederenrechtelijke rechtshandelingen zich uitstrekken over de gehele zaak, inclusief bestanddelen. Een overdracht of bezwaring met beperkte rechten treft dus óók de bestanddelen, zonder dat daar iets extra’s voor hoeft te worden afgesproken. Verbintenisrechtelijke rechtshandelingen worden vermoed op dezelfde wijze de hele zaak te betreffen, alhoewel het hier mogelijk is om een uitzondering te maken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om slechts één kamer van een huis te verhuren, of een in de tuin geplante boom te verkopen (die daarvoor wel zal moeten worden uitgegraven). Een bestanddeel kan geen object van afzonderlijke rechten zijn. Dit betekent dat het niet mogelijk is om een beperkt (zekerheids)recht op een bestanddeel van een (onroerende) zaak te hebben, of daarvan de zelfstandige eigendom te hebben of voor te behouden.2 Zulke rechten houden op te bestaan op het moment dat de zaak waarop ze zien bestanddeel wordt van een andere zaak. Omdat de bestanddelen niet gerevindiceerd kunnen worden, resteert voor de voormalige rechthebbende slechts een verbintenisrechtelijke aanspraak. Dit is vooral nadelig in het geval de eigenaar van de hoofdzaak failliet gaat. In de praktijk leidt dat dikwijls tot problemen voor verkopers onder eigendomsvoorbehoud of leasemaatschappijen die hun eigendomsrecht zien eindigen zonder hun vorderingen voldaan te krijgen.3